21 | BOOM & DOKTER

Laten we af en toe eens kijken naar de concurrenten van Bert Boom in zijn jaren als amateurwielrenner. Wie waren de grootste rivalen, wie waren samen met hem eind jaren 50 en in de jaren 60 de besten van de regio?

Meteen valt de naam Jurrie Dokter uit Enschede. “Dat was een geduchte tegenstander”, zegt Bert. “Hij was iets ouder. Toen ik nog nieuweling was, was hij al amateur. Ik won in Enschede mijn eerste officiële wedstrijd. Daarna bleef ik kijken naar de koers van de amateurs. Daar maakte ik ook meteen kennis met Gerritje Dokter, de moeder van Jurrie. In de bocht waar ik stond te kijken, waren enkele opgeschoten jongens met brommers aan het klieren. Nozems heetten dat soort knapen in die tijd. Ze waren balorig. Een van hen kwam op het idee om de renners dwars te zitten als ze in aantocht waren. Dan wilde hij met zijn brommer een beetje op de weg gaan staan. Maar ineens kwam er een vrouw op de kwajongen af en sloeg hem keihard met haar paraplu op de kop. ‘En maak dat je wegkomt’, schreeuwde ze hem toe. Dat was Gerritje. Wat was die vrouw fanatiek. Ik heb het zelden zo meegemaakt”, aldus Bert.

Jurrie Dokter reed volgens Bert minder wedstrijden dan de andere coureurs. Maar hij won vaak, net al Bert. “Jurrie was een eenling. Moeder Gerritje was zijn belangrijkste coach. Ik herinner me de Driedaagse van Gelsenkirchen. We lagen met een aantal coureurs in een jeugdherberg. Moeder Dokter lag er ook tussen.”

Een van Dokters mooiste overwinningen was de Ronde van Drenthe in 1960. Bert vertelt dat de Enschedeër in de eindfase in de ontsnapte groep van negen man niet meer op kop kwam. Hij was aan het eind van zijn krachten. De renners uit het westen maanden hem: “Kop overnemen!” Maar Dokter hield de benen stil. “Twee bochten voor de finish demarreerde hij en won de klassieker. Slim gekoerst’, zegt Bert, die zelf tweede werd.

Toch vraagt dat om weerwoord. Even bij de 86-jarige Jurrie Dokter langs in Enschede. “Hij was toen kwaad op mij. Maar ik vond Bert een leuke jongen. Het was een goeie wielrenner. Hij was slim en had een scherpe eindsprint”, zegt Jurrie die naast de Ronde van Drenthe ook met een voldaan gevoel terugkijkt op fraaie overwinningen in Bocholt en Duisburg.

“In die Ronde van Drenthe was ik op achterstand geraakt”, luidt zijn verklaring, “en heb ik met nog enkele pechvogels het peloton en de kopgroep ingehaald. Daardoor was ik een tijdje helemaal kapot.”

Een jaar later werd Bert in Drenthe derde achter Kees de Jongh uit Westgraftdijk en Jac Mesters uit Den Haag. Jurrie Dokter finishte pal achter Gerben Karstens als elfde. De Enschedeër was intussen lid van de bekende wielervereniging De Bataaf uit Halfweg waar een echte topsportcultuur heerste. Hij woonde toen tijdelijk in het westen des lands.

Bert vertelt dat Jurrie later zijn vader heeft opgevolgd als houder van een rijwielzaak die gericht was op racefietsen. “Ik kocht er mijn eerste raceframe, een Wevo Supersport. Ik mocht het bij hem ook in mijn fiets bouwen.”

Dokter sr verkocht korte tijd later raceframes onder zijn eigen naam, daarmee inspelend op de bekendheid van zijn zoon. Ook richtten ze een eigen wielerploeg op, genaamd Jurrie Dokter-Libertas.

 

20 | ZO GROOT ALS EEN MANDARIJN

Tijd voor een serieuzer onderwerp. Bert Boom lag in zijn 84-jarige leven ook wel eens in het ziekenhuis. In maart 1976 was de nood hoog. Bert merkte dat hij steeds dover werd. Onderzoek wees uit dat er een tumor in zijn hoofd zat, op een zeer gevaarlijke plek, achter het linkeroor. “Daar zat ook het evenwichtsorgaan. Die tumor was volgens de dokter zo groot als een mandarijn.” De dokter had, zo vertelt Bert, nog wel een verrassende mededeling voor hem. “Hij had ook geconstateerd dat ik hersens had. Maar helaas wilde hij dat niet schriftelijk bevestigen. Ook vroeg hij zich af wat ik met de ruimte ging doen, waar die tumor had gezeten.”

Alle gekheid op een stokje, het was een heftige tijd. Bert lag aanvankelijk in het academisch ziekenhuis in Leiden, maar daar durfden de dokters het niet aan. Hij ging over naar het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam. “Daar werd ik behandeld door dokter Matricali die mij kende van de baanwedstrijden, waar hij vaak betrokken was bij de uitvoering van dopingcontroles.”

Bert werd geopereerd. Voorzichtig werd de tumor uit zijn hoofd gehaald. Zijn vrouw Truus logeerde intussen in Amsterdam bij een familielid. De schrik zat er goed in bij haar. Na acht dagen mocht Bert naar huis. “Ik moest weer leren lopen, heb toen heel wat keren met Truus gewandeld”, glimlacht hij.
“We waren nog niet terug in Enter”, reageert Truus, “of hij had alweer een boel gekheid. Drie weken later zat hij alweer op de fiets.”
“Ik moest wel oppassen met het draaien van het hoofd. Maar eigenlijk ging dat vanzelf, want dat wilde ik sowieso wel laten”, herinnert Bert zich.

Hij trainde langzaam maar zeker weer meer en deed dat met een doel. Vijf maanden later waren de wereldkampioenschappen voor veteranen in het Oostenrijkse Sankt Johann. Daar wilde hij per se aan meedoen. Hoe dat afliep, is bekend. Bert greep daar de titel tot verbazing van velen en vooral van de medici in het Wilhelmina Gasthuis. “Ik moest daar kort na dat kampioenschap voor controle terugkomen. Toen ik binnenkwam, wees de dokter achter mij naar de deur. Daar hing een knipsel van mijn wereldtitel. Je bent genezen verklaard, zei de dokter met een vriendelijke glimlach.”

Op de titelstrijd in Sankt Johann komen we in deze serie zeker nog terug.

19 | BART

We gaan terug naar de Ronde van Overijssel, aflevering 49, 6 mei 2000. Dat was nog eens een heuglijke dag voor Bert en zijn familie. Want zelf werd hij die dag 62 en zoon Bart won de belangrijke wedstrijd.
“Truus, ikzelf, de hele familie, we waren allemaal in Rijssen bij de finish. Hij was alleen vooruit. Het was gigantisch mooi. Ik was enorm trots. Bart was in tranen. Ik kon het zelf maar net droog houden. Op mijn verjaardag. Heel bijzonder. Overigens was die overwinning van hem nogal beladen. Er zit een heel verhaal aan vast”, vertelt Bert. “Onze Bart was enorm gebrand op de overwinning.”

Waarom was Bart die zesde mei in 2000 zo gespitst op de zege in de Ronde van Overijssel?
Bert: “Bart werd in 1998 tweede achter de Deen Tayeb Braikia. Een jaar later werd hij door Arie Hassink en Han Vaanhold uit de Giant-ploeg gezet. Hij was op zaterdag opgenomen in de ploeg voor de Ronde van Drenthe. Een dag eerder reed hij de Ronde van Rijssen en won die koers. Maar in Drenthe aangekomen reed hij de ronde, maar kreeg na afloop de mededeling dat hij uit de ploeg gezet werd. Per brief kreeg hij daarna zijn ontslag. Ongelooflijk. Bel Bart anders maar even, hij weet het precies.”

Goed idee, want dit verhaal vraagt om een duidelijke uitleg. Ik tref hem ergens in Duitsland waar hij namens Shimano bij mountainbikewedstrijden aanwezig is. “Die zesde mei in 2000? Dat was zo’n dag dat alles op zijn plek viel”, zegt Bart. “Heel bijzonder. Ik was zoals je weet een jaar eerder uit de ploeg gezet door Han en Arie. Ik won een koers in Rijssen, ging de dag erop naar Hoogeveen voor de Ronde van Drenthe, maar kreeg pech. Na drie kilometer brak mijn stuur af. Het scheelde weinig of ik was hard gevallen. De stuurpen van de reservefiets was kapot, omdat een ploeggenoot bij de start hetzelfde euvel had. Daarom ben ik meteen naar huis gegaan. En dat was volgens Han en Arie de reden van mijn ontslag. Belachelijk natuurlijk”, zegt Bart die vanaf toen voor de ploeg van De Zwaluwen ging fietsen.

“Vanaf dat moment dacht ik al aan de Ronde van Overijssel op 6 mei 2000, de verjaardag van mijn vader. In augustus ’99 heb ik die datum al op het openingsscherm gezet van mijn telefoon. Ik zag de datum elke dag. De winter trainde ik hard door. In het voorjaar ging alles naar wens. Geen pech, geen blessures. Eind april won ik een klassieker voor clubrenners in Drenthe en reed vervolgens achter de scooter van Wim Albersen terug. Vanaf de Lemelerberg trainden we de laatste lus van de ronde nog even goed. Ik was helemaal naar de vaantjes na die pakweg 350 kilometer. Daarna gingen Otmar Beltman en ik naar de Ardennen voor een duurtraining en een paar wedstrijden. Elke dag 200 kilometer getraind.”

Bart Boom was gebrand, stond op scherp. Dat moge duidelijk zijn. Wielrennend Nederland zou van hem gaan horen. Maar Cor Kiewik, de ploegleider van De Zwaluwen, wilde hem op 6 mei opstellen voor de Ronde van Haarlemmermeer. “Ik zei meteen nee. Ik heb me al driekwart jaar voorbereid op ‘Overijssel’ en die rij ik. ’s Ochtends bij het opstaan voelde ik dat ik in supervorm was. Wat ook nog meespeelde was de verjaardag van mijn vader en mijn tweede plaats in 1998. Toen had ik Rudi Kemna over me heen gekregen, omdat ik volgens hem in tactisch opzicht een fout had gemaakt, wat overigens weer door Han ontkend werd.”

Dat allemaal, die trainingen, de supervorm, het onrecht van ‘98 en ’99, dat spookte allemaal door Barts hoofd. Intens gefocust vloog hij naar de finish in Rijssen, waar hij glorieus met zijn armen zwaaiend in zijn eentje over de streep reed. De klus was geklaard. Hoe voldaan kan een renner zich voelen.
’s Avonds was het dubbel feest in huize Boom. De meesten kwamen voor Bart en niet voor de jarige Bert.
Ruim 22 jaar later voelen Bert en Bart zich twee trotse Boomen. “Ik heb vorige week het verslag van 2000 van RTV Oost nog teruggeluisterd. Opnieuw kippenvel”, zegt Bart.

Met Han Vaanhold kan hij wel weer door één deur. “Arie Hassink? Die heb ik nooit meer gesproken en daar heb ik ook geen behoefte aan.”

Bart stopte in 2008 op 36-jarige leeftijd. Hij is 50 jaar.

18 | LANG ZAL HIJ LEVEN

We feliciteren Bert Boom met zijn verjaardag. Vandaag is het 84 jaar geleden dat hij op een bovenwoning in de Markelose Dorpsstraat is geboren. Ter gelegenheid van dit heuglijke feit richten we onze blik op de stamboom van de oud-wereldkampioen.

In het pand waar later oud-wielrenner Harry (Bill) Rouweler een bar had, baarde Dieneke Boom-Dollekamp op 6 mei 1938 een zoon. Zij en haar uit Hellendoorn afkomstige man Hendrik hadden al twee dochters, Hendrikje en Johanna (later Hennie en Jos genoemd). Bertus, zoals hij toen nog heette, werd genoemd naar een oom die op jonge leeftijd op tragische wijze overleden was. Op het feestje ter gelegenheid van zijn diplomering als etaleur zakte hij plotseling in elkaar en stierf ter plekke.
De kleine Bertus heeft zegge en schrijve drie maand in Markelo gewoond. De familie trok in de zomer naar hun nieuwe huis in de buurtschap Herike, waar zijn vader een bedrijf startte met meerdere vakgebieden onder één dak. Hij was smid en hoefsmid, elektricien, loodgieter en fietsenmaker. Moeder Dieneke was de dochter van ‘kleine Johan’, een dorpsfiguur in Markelo, smid van beroep en ook hij bedreef de ambachten die daar annex aan zijn.

Bert lacht: “Mijn vader reed op een Eysink-motor. Familie?”
“Nee Bert, jammer genoeg niet.”
“Ik pakte als tiener die motor af en toe stiekem mee. Dan deed ik de demper eraf en racete met die knappende motor over de slingerweggetjes van bungalowpark Hessenheem. Vonden die mensen niet fijn. Als ik dan weer dicht bij huis was, zette ik de motor af en reed hem freewheelend de schuur in.”
Hij vertelt over zijn vader die als weesjongen naar Markelo was gekomen. Hij kwam bij smederij Dollekamp te werken en kreeg verkering met de dochter van de smid. Toen ze trouwplannen hadden, wilden ze voor zichzelf beginnen. Het huwelijk werd voltrokken op 29 juli 1933. Hendrik was 25, Dieneke 20.

Beide ouders waren sportief. “Mijn vader voetbalde in het eerste elftal van Sportclub Markelo”, zegt Bert. “Ook was hij een van de oprichters van de bekende motorsportvereniging Ons Genoegen. Mijn moeder speelde korfbal in Markelo. Later kwamen ze vaak kijken naar wedstrijden waar ik aan meedeed.”
Bert vertelt dat zijn vader meestal aan het werk was. “Hij legde elektriciteit aan op een bouwplaats en vaak moest hij dan ook overleg plegen bij café Hargeerds.”

Moeder Dieneke voedde de kinderen op. Bert stelt ze een voor een voor. “Hendrikje (Hennie) is geboren op 13 december 1933. Ze trouwde met Henk Rensink uit Markvelde. Ze kregen vier kinderen. Johanna (Jos) kwam op de eerste kerstdag van 1935 ter wereld. Ze bleef vrijgezel, woonde in Diepenheim en is net als Hendrikje reeds overleden. Na mij kwam Zwaantje die later Swanny heette. Ze is 81 en woonde in Den Haag, Nijkerk en Duitsland. Sinds kort is Putten haar woonplaats. Ze trouwde met een neef van Jac Orie, de bekende schaatscoach. Ze kregen twee kinderen.

Gerrie woonde in Enschede. Zij is op 40-jarige leeftijd overleden. Ze was getrouwd en kreeg twee kinderen.
Mijn broer Henk is een nakomeling. Hij is 69 jaar, woonde in Friesland, is nu inwoner van Olst, is gescheiden en heeft twee kinderen. Tot slot Hans, de jongste van het gezin. Hij is een na-nakomeling en is ruim 20 jaar jonger dan ik. Hij trouwde met José Stamsnijder, een zus van Hennie. Ze wonen in Nieuw-Heeten en hebben drie kinderen.”

Henk en Hans werden ook wielrenner en waren behoorlijk succesvol. Daarover later meer.

PS. Mocht je Bert een verjaardagskaart willen sturen, zet er maar op ‘Aan Bert Boom te Enter’. Komt altijd over.

Op de foto’s Berts ouders Dieneke en Hendrik en de oudste vijf kinderen met vlnr boven Hendrikje, Bertus en Johanna en onder Gerrie en Zwaantje.

17 | VEERTIEN KEER DE RONDE VAN OVERIJSSEL

VEERTIEN KEER DE RONDE VAN OVERIJSSEL
Welke bekende profrenner heeft hem niet gereden. Zoek hem met een lampje. Je vindt hem niet. Kijk alleen maar eens naar de erelijst. Vermaarde coureurs als Jan Janssen en Gerben Karstens wonnen de Ronde van Overijssel en anderen die kort na deze roemrijke klassieker bekende beroepsrenners werden. Ik noem oud-winnaars als Piet Damen, Michel Stolker (2x) Tristan Hoffman, Rudi Kemna, Gerard Vianen, Bas Maliepaard, Leo van Dongen, Gerben Karstens, Rob Harmeling, Jan Aling en ga zo maar door. Ook toprenners die geen prof geworden zijn zoals Arie Hassink, Herman Snoeijink (2x), Jan Spijker (2x), Jos Alberts, Jan Lenferink en Frits Schür hebben de pittige klassieker op hun naam geschreven.
Want de Ronde van Overijssel is zwaar en lang. Wil je weten of je een wielrenner van hoog niveau kunt worden, probeer dan deze koers maar eens te winnen of een plek op het podium te claimen of – vooruit – bij de eerste tien te eindigen.
Bert Boom stamt uit een tijd dat de regionale renners niet aan een zege in Overijssels Mooiste, zoals de nickname van de Ronde luidt, hoefden te denken. De Twentse amateurs behoorden toentertijd niet bij de nationale top.
De eerste Tukker die opviel was Hengeloër Mattie van de Heuvel. Hij werd in ’55 tweede achter Mies Stolker. Grote klasse. Berts plaatsgenoot Johan Pluimers werd in ’61 derde. Ook heel goed, met Enschedeër Jurry Dokter als vijfde. Piet van der Horst jr uit Klundert won de koers dat jaar. Bert stapte af.
De eerstvolgende ereplaats van een regionale renner was wel voor hem. Dat was pas in 1970. Bert was al 32 en werd derde, Fred Niemeijer uit Hengelo, die een keer of vier bij de eerste tien wist te finishen, eindigde als vierde. Winnaar werd John Cornelissen uit Wijchen. Jan Bakker uit Zaandam kwam in Rijssen als tweede over de meet. Zij tweeën achterhaalden de ontsnapte Bert pas op de Holterweg. Maar 700 meter voor de streep sprong hij andermaal weg om kort voor de streep toch weer ingehaald te worden. Bert had dat jaar veel studie gemaakt van de finale, maar kwam net tekort. Niettemin werd hij derde en was er blij mee. “John Cornelissen vertelde me later dat hij zijn medevluchter Jan Bakker enorm had aangespoord om door te rijden, zo bang was hij dat ik nog een keer terug zou komen”, vertelt hij met een grote glimlach.

Bert reed de Ronde in totaal veertien keer. De eerste keer was hij 19 jaar. Dat was in 1957. “Ik keek hoog op tegen de gevestigde namen. Mik Snijder, Piet Damen, Jo de Roo, Jan Janssen, Coen Niesten en dat soort mannen die later allemaal prof werden. Je reed destijds nog zonder derailleur. Later was het in zo’n klassieker wel toegestaan en zo’n dertig jaar geleden mocht het ook in criteriums. In het begin was bovendien de lengte van deze ronde af en toe wel 225 kilometer of nog langer. We reden naar Deventer, maar zouden ook nog langs Haaksbergen, Ootmarsum en Den Ham komen voor we via de Holterberg in Rijssen aankwamen. Eén keer kwamen we langs mijn ouderhuis in Herike.”
Terug naar de eerste jaren toen hij de finish een aantal keren niet haalde. “In 1957 kreeg ik kramp. In ’58 ben ik ook afgestapt. Stel dat ik zou winnen, dacht ik, dan moet ik een ereronde rijden. Kan ik nog een keer die 225 kilometer gaan rijden.”
In 2020 en ’21 was er om bekende redenen geen Ronde van Overijssel, over acht dagen volgt de 68ste aflevering. Bert looft de organisatoren. “Ik buig heel diep voor hen. Het is niet zo maar een klassieker. Maandenlang zijn ze ermee bezig.”
Veertien keer gereden, één keer derde. Dat was het. Nooit eerste. “Of dat me steekt? Nee, je kunt niet alles winnen. Oké, op die mooie erelijst van de Ronde had ik ook graag gestaan. Maar kijk eens wie er nog meer bij de eerste drie zijn geëindigd. Dat zijn allemaal klasbakken. En kijk eens wie in het jaar 2000 de winnaar was.”
De naam Boom kwam op 6 mei 2000 alsnog op de erelijst te staan. Zoon Bart ging dat jaar solo als eerste over de streep. Dat was bovendien op de dag dat vader Bert zijn 62ste verjaardag vierde. Fantastisch, beter kon niet. Die editie van de Ronde van Overijssel kreeg dankzij Bart een speciale winnaar met een bijzonder verhaal. Daarop komen we terug, later in deze reeks verhalen en anekdotes.

16 | BOOM, CRUIJFF (& BARRY HAY)

Over enkele dagen zou Johan Cruijff 75 jaar geworden zijn. Bert Boom en de grootmeester kenden elkaar. Een valpartij van Bert in 1969 op de wielerbaan van Berlijn lag daaraan ten grondslag. Want soms zit het ook wel eens tegen. De pechduiveltjes fietsen af en toe mee. Dan maken de mannen of vrouwen lelijke smakken. Afgelopen zondag zagen we nog bizarre voorbeelden daarvan bij Parijs-Roubaix.
Bert viel tijdens de Grote Prijs van Berlijn, een wedstrijd voor stayers. De harde val leverde hem een gekwetst lichaam op, maar ook enkele prettige ontmoetingen. Geluk bij een ongeluk.

De mannen reden rond met snelheden van 90 km per uur. Bert lag in tweede positie toen plotseling zijn stuur afbrak. Hij rolde over de betonbaan en kwam op de sintelbaan tot stilstand. Overal schaaf- en andere wonden die vol zaten met het grind van de baan. “Alles lag open, mijn armen en benen zaten onder het bloed”, herinnert hij zich.
Snel werd hij naar een ziekenhuis vervoerd. Jan Jansen (niet de wegrenner, maar de sprinter) ging mee in de ambulance. Toen Bert een geintje probeerde te maken, sprak Jansen de woorden: “Ze moeten jou doodslaan, voor je stopt met grappen maken.”

De wonden werden in het ziekenhuis verzorgd en Bert mocht een dag later naar huis. In het vliegtuig zat hij naast Barry Hay, de zanger van de Golden Earring. “Hij bood me een glas whisky aan”, vertelt Bert. “Ik zei nee, dank je. Topsporters drinken geen whisky.”
In Amsterdam aangekomen was de fles leeg.

Bert belde dokter Rolink, sportarts, clubarts van Ajax. “Hij wist het al, had in de krant gelezen wat me overkomen was en verwees me naar Salo Muller, de verzorger van Ajax. Daar trof ik Johan Cruijff en een medespeler. ‘Jij fietst de komende drie maanden niet’, zei Cruijff tegen me. Ik zei: donderdagavond fiets ik weer op de baan in het Olympisch Stadion.” Cruijff geloofde het niet en kwam die avond met enkele ploeggenoten kijken. “Zo zagen ze wat voor bikkels wielrenners zijn.”

Vele jaren later was Cruijff (foto) als coach van Ajax met zijn ploeg in De Lutte op trainingskamp. Ze speelden bij ons in Enter een oefenwedstrijd. “Ik ging kijken en kwam hem daar toevallig tegen. Hij herkende me direct en zei: ‘Ik noem jou vaak als voorbeeld voor een speler die zeurt vanwege een wondje of een kleine blessure.’

15 | THEO HUILDE OM WERELDTITEL BERT

Uit de doos met knipsels en foto’s komt Theo Koomen tevoorschijn. Bert is in gesprek met de populaire verslaggever die bijna veertig jaar geleden bij een verkeersongeluk op de provinciale weg Alkmaar-Hoorn vlakbij Koomens woonplaats Groot-Schermer.

Theo was erbij tijdens het WK baan in Berlijn waar Bert de wereldtitel greep bij de stayers. “Ik heb het bandje nog met zijn verslag”, zegt Bert. “Toen ik over de finish kwam, riep Theo dat ik huilde van geluk. Dat was niet zo. Hij huilde zelf.”
Ze kwamen elkaar ook tegen in de Ronde van Tunesië in 1962. “Spontane kerel. Theo was enorm sportminded. Hij beschouwde zijn werk als een soort hobby.”
Bert maakte in zijn roemrijke carrière veel journalisten mee. Hij noemt Charles Taylor van De Telegraaf, Henny Everts van de Twentsche Courant en diens collega Willem Pfeiffer. Hij herinnert zich Kees Jägers, Ton van Dalen en André Vis. “Het waren allemaal zeer betrokken journalisten en ook waren ze altijd prettig aanspreekbaar. André kon verschrikkelijk zeuren, maar de volgende dag in de krant was zijn verhaal schitterend.
Ben Zomerdijk, de man van de uitslagen, komt ter sprake. “Hij is in 2007 overleden. Ik heb bij de crematie een toespraak gehouden als dank voor alles wat hij voor de wielersport gedaan heeft. Maar ik vond het wel jammer dat zo weinig mensen uit de sport bij de uitvaart aanwezig waren. Zijn zoon die ergens in de Betuwe burgemeester was, belde me later op om me te bedanken. Hij vroeg me de tekst van de toespraak naar hem op te sturen.”
Bert pakt de foto met Theo Koomen nog eens in zijn handen. “Dat overhemd heb ik nog steeds”, zegt hij. “En weet je hoe de vrouw van Theo heette?”
“Ja Bert, oké Bert, volgende foto Bert. Pff!” Hij is bijna 84, maar nog altijd een schelm.

14 | OM DE VIJVER

Het is al jaren een heel tof criterium, de Ronde van Hengelo. Niet te verwarren met de Nacht van Hengelo. Het parcours is ruim 800 meter kort en is gelegen rondom de idyllische Tuindorpvijver. Over twee weken staat deze oeroude koers weer op de rol. Bert Boom is van plan te gaan kijken, niet in het minst omdat hij een van de vele oud-winnaars is. “Ik wist niet dat hij nog steeds gehouden wordt. Waarom lees ik daarover bij ons in Enter niets in de krant? Gelukkig weet ik het nu, dus ga ik kijken die zaterdag.”
De oud-renner uit Enter heeft tientallen wedstrijden op zijn naam geschreven, maar die van Hengelo in 1960 was een van de mooiste. Er stonden 4000 toeschouwers langs de kant, waarbij je moet bedenken dat aan de binnenkant niemand mocht staan. Wat je krijgt op dat korte parcours, is dat de betere en slimmere renner al gauw een ronde voorsprong neemt. Op die tiende juli in 1960 slaagden Henk Nijdam, Wim Dieperink en Bert erin met twee ronden voorsprong op het peloton richting de eindstreep te rijden. Bert Boom won de eindsprint, zo meende de jury. Nee Nijdam won, meenden eveneens een paar juryleden en zeker de aanhang van de man uit Eelderwolde. “Gelukkig stond er een goeie foto van de eindsprint in de krant”, weet Bert zich 62 jaar na dato nog goed te herinneren. “Die wilde ik Nijdam een paar dagen later laten zien, maar hij er geen belang meer bij, zei hij. Ik won met een halve banddikte voorsprong. Dat weet ik zeker.”
Bert vond en vindt het een mooie koers daar in het Hengelose Tuindorp. “Kort rondje, pijlsnel. Dat lag me goed. Het viel nooit stil. Veel renners hadden daar moeite mee. Ik heb er ooit ook nog achter derny’s gereden. Schitterend was dat. Dat moet in 1969 of ’70 geweest zijn.”
Er schiet hem een voorval te binnen met Massie Zandjans uit Stokkum als hoofdpersoon. “We reden daar eind jaren vijftig, toen Massie in de voorlaatste ronde ontsnapte en honderd meter voorsprong nam. De toeschouwers moedigden hem massaal aan, ik stopte de groep af zo goed ik kon. Massie ging winnen, maar niet heus. Achter het badhuis kneep hij in de remmen en stapte af. We snapten er niks van. Wat was dat Massie, vroegen we hem. ‘Ik heb nooit iets gewonnen, dan vandaag ook niet’, was zijn bizarre reactie. Ik denk”, zegt Bert, “dat hij bang was voor de rondemiss.”
De Ronde van Hengelo werd vaak een dag na de Ronde van Overijssel gehouden. Daardoor was het rennersveld vaak extra sterk. In 1956 bijvoorbeeld won Adrie van Houwelingen uit Sassenheim met drie ronden voorsprong. Coen Niesten uit Beverwijk werd tweede en die had daags ervoor de Ronde van Overijssel op zijn naam geschreven. Fré Mik uit Oude Pekela werd derde. Bert Boom was vierde bij de nieuwelingen.
In 1957 won de ijzersterke Gerrit Lentelink uit Wiene en werd de 19-jarige Bert tweede. Jan van Vliet uit Rotterdam, annex Rooie Jan, finishte als derde. In 1959 was Bert ook een van de deelnemers bij de amateurs. Hij werd achtste. De plaatselijke favoriet Henk ‘Tex’ Scheuten won de koers voor Klaas Visser uit Enschede en diens stadgenoot Jurry Dokter. Paul Nieuwkamp uit Borne kwam als vierde binnen en Harrie ‘Bill’ Rouweler uit Goor als vijfde.
In 1963 stapte Bert af. Hij was niet best in orde die dag. Piet Schreur uit Wolvega kwam solo over de meet met Ben Heusinkveld uit Lichtenvoorde als tweede en Gerrit van Lith (Gellicum) als derde.
In 1966 won Jan Boode uit Nijverdal die samen met Bert een ronde voorsprong had. Gert Bongers uit Voorst werd derde, de wielrennende schaatsenrijder Rudie Liebrechts uit Vlaardingen eindigde als vierde.
De ronde om de vijver was ook in 1968 en ’69 voor duizenden wielerliefhebbers een schitterend schouwspel. Beide keren won de bekende in Enschede geboren coureur Tino Tabak. Ook toen was door de invloed van de Ronde van Overijssel het rennersveld supersterk. Tabak had twee ronden voorsprong, de nummer 2 René Pijnen (Woensdrecht) één ronde. Derde was Wim Prinsen uit Hank. Theo Meijer uit Denekamp was de beste Tukker met de vijfde plaats. Bert werd elfde.
Tabak (foto) mocht op die zevende juli zijn collega-renner Bennie van de Kolk uit Diepenheim heel dankbaar zijn. Want in Hengelo aangekomen, bleek zijn fiets er niet te zijn. “Hij leende toen een fiets van Bennie en kon daar prima mee uit de voeten”, glimlacht Bert. “Hij won de koers. Die fiets van Bennie had nog nooit zo hard gereden. Hijzelf won nooit een prijs, maar zijn fiets dus wel.”

Een jaar later had Tabak drie ronden voorsprong op het peloton. Bennie Groen uit Steenwijk werd tweede, Jan Vlastuin uit Scherpenzeel derde en Hennie Kuiper uit Noord-Deurningen was de eerste Twentenaar. Hij eindigde als vijfde. Bert was er niet bij, want hij verlegde zijn aandacht naar de baan en werd enkele weken later wereldkampioen…. 

13 | UIT DE KATTENBAK

Bekend tafereel in de buurt van de startstreep van een koers. Althans in de vorige eeuw. Renners die zich omkleedden vanuit de kattenbak van de auto. Stoeltje ernaast. Meestal waren er geen kleedkamers beschikbaar, maar de renner redde zich wel. Ook belden sommigen aan bij een woonhuis om daar dan na afloop om een emmertje water te vragen. Of misschien mochten ze daar wel even douchen.

Bert zit hier achter zijn eigen huis. De Ronde van Enter stond op de rol. Uiteraard had hij zich binnen omgekleed, maar echtgenote Truus had hem verordonneerd buiten zijn benen in te smeren met de welbekende Midalgan. Renners geloofden heilig in dit smeermiddel op hun spieren en gewrichten. “Ik moest ermee naar buiten”, vertelt Bert, “want dat spul stonk te hard.”

Ook Bert Boom heeft zich bij wedstrijden in stad of dorp vaak moeten omkleden bij de auto of bij wildvreemde mensen thuis. “Kleedkamers waren er zelden. Je haalde in een naburig café de rugnummers op en na afloop was daar ook meestal de prijsuitreiking. De meeste deelnemers hadden wel een of meer premies gewonnen en de eerste drie werden ook nog eens gehuldigd op een podium. Iedereen kent die taferelen wel.”

Bert zou Bert niet zijn als hij ook over dit onderwerp niet een paar anekdotes uit zijn mouw schudt. Hij gaat terug naar 29 juni 1959. Hij woont nog in Herike. Op het programma staat de Ronde van Assendorp, een bekende wijk te Zwolle. De Twentse renners Hendrik van Sark uit Boekelo en Jurrie Dokter uit Enschede treffen elkaar bij het omkleden. Jurrie werkt in Zwolle en is rechtstreeks naar de koers gereden. Als ze klaar zijn, halen ze hun rugnummers. Maar waar is Jurries fiets? Bert: “Hendrik kreeg de opdracht om naar de omroeper te gaan met het verzoek Jurries vader te laten oproepen. Dokter sr. meldde zich, maar had de fiets van zijn zoon niet bij zich.” Jurrie ging daar vanuit, maar had het niet afgesproken met zijn vader. Hij kon onverrichterzake naar huis. En Bert had een concurrent minder. Hij won de koers met een grote voorsprong op Piet Schreur uit Wolvega en Gerrit Lentelink uit Ambt-Delden. Evert Hup uit Kampen won de spurt van het peloton.

Zo ging Bert ook eens met een aantal streekgenoten naar een koers in Mönchengladbach. Huub Ras uit Eibergen, Wim Neeskens uit Borne en Bert mochten zich omkleden bij twee broers die een kruidenierszaak runden. “Dat was fijn”, zegt Bert. “Na afloop mochten we van de broers wat overhemden en hemden uitzoeken. Huub en Wim bedachten zich geen moment en vochten om een stapel hemden. Ik stond erbij en schudde lachend mijn hoofd.”

Nog een herinnering aan een Duitse koers. “Bill Rouweler en enkele andere renners vonden het altijd leuk om een paar bierglazen met opdruk in hun binnenzak te steken. ‘Hier’, riep Bill tegen mij, ‘die is voor jou. Steek hem snel in je binnenzak.’ Ik pakte een fraai glas aan en deed wat hij zei. Toen ik wegliep voelde ik overal nattigheid. Het glas was nog vol en dat had ik niet gezien. Het schuim stond in mijn broek.”

Kortom vrolijkheid alom bij het omkleden op straat en bij de prijsuitreikingen in het plaatselijke café.

12 | MERCKX & BOOM

De wielergekte in Enter begon ruim zestig jaar geleden. Bert Boom was in 1961 in het dorp komen wonen en was er dus vanaf het begin bij. Er ontstond toen net een wielercomité met als initiatiefnemer en roerganger Hendrik Krake. Hij woonde nog bij zijn ouders, was vrijgezel en hartstikke gek van wielrennen. In de volksmond heette hij ‘Kraakn Hinke’. Het comité organiseerde een jeugdronde en al gauw een echte Ronde van Enter. Dat begon in 1962. In dat jaar creëerden ze ook de Ronde van Twente, waaraan de nationale top meedeed. Met start en finish in Enter. Het was de eerste grote wedstrijd in het voorjaar. De kranten stonden er vol van. Cees van Espen uit Arnhem was de eerste winnaar.
Hendrik kende ploegleiders als Ton Vissers en Herman Krott persoonlijk. In 1967 wist hij bekende profs als Jan Raas, Peter Post en de bekende ploeg van Kees Pellenaars naar Enter te lokken. Zelfs Eddy Merckx, de kampioen der kampioenen, kwam naar Enter. “Hendrik en zijn mensen hadden geld ingezameld voor een sterk rennersveld en daarnaast hieven ze entree”, vertelt Bert. Het parcours lag rond het sportterrein ‘De Krompatte’ van de vv Enter.
Liefst 6000 wielerliefhebbers kwam erop af. Maar ze zagen een saaie profkoers, want Merckx ontsnapte samen met Henk Nijdam uit het peloton. Nadat Nijdam moest lossen kreeg Merckx gezelschap van Gerard Koel die een ronde achter was en samen met hem naar de finish reed. Peter Post werd tweede.
De strijd bij de amateurs was prachtig. “Ik wilde per se winnen”, weet Bert nog goed. Voor eigen publiek, bijna 6000 toeschouwers, dat is enorm goed voor de moraal Maar andere renners hadden dezelfde drive en zeker die uit Enter zelf, met name de gebroeders Johan en Gert Pluimers. Topfavoriet Henk Nieuwkamp viel uit. Dat was een tegenvaller voor het publiek, maar de concurrentie – waaronder Bert – werd nog alerter. Ze hadden daardoor meer kans op de zege.

De finale was spannend. Renners sprongen weg. Kopgroep van zeven. Jurrie Dokter vloog uit de bocht. Na Nieuwkamp was weer een van de mannen met een sterke eindsprint kansloos. Bert had de beste benen. Hij won. Jan van Dam werd tweede en Gerrit Leferink derde.

Op naar café Dreyerink voor de prijsuitreiking. Merckx en Boom namen de hoofdprijzen mee naar huis.