WEG MET DE NAAM PH

1 augustus 2005
Heracles-Twents Amateurelftal. Zaterdagmiddag bij 30 graden. Het publiek bij de wedstrijd is een heerlijke mix van ons kent ons. Rond het veld van het Almelose PH staan bestuursleden van Heracles zomaar tussen de gewone mensen. Niks hoofdtribune, niks gereserveerde plaatsen. Mensen van Quick’20, FC Twente, Deto, Stevo en Excelsior’31 staan door elkaar heen en praten met elkaar. Ook in het veld is het ‘ons kent ons’ gehalte groot. Zes amateurs speelden ooit bij Heracles. En wat te denken van ‘Heej Bas, kom eens op man’, zoals aanvoerder Erwin Looms van het amateurelftal tegen scheidsrechter Nijhuis schreeuwt als hij fluit voor een overtreding.

Rust. Even een rondje lopen. In de dug out van de amateurs maakt Harm Bossink zich op voor een invalbeurt. Vertederend tafereeltje: de kleine topscorer van de regio eet nog even snel een boterham. Had hij in de gauwigheid nog even van huis meegenomen. ‘Jongen’, zei z’n moeder ‘ik heb een dikke snee brood in je tas gedaan. Eet hem op vlak voor je moet
invallen. Ik heb er spek op gedaan en niet je lievelingsbeleg, want wijlen Gerrie Knetemann zei immers: Je wint de Tour niet op een boterham met pindakaas.’

Tweede helft. Hilariteit op de tribune. Klavan van Heracles scoort, maar de microfoniste kent de treffer per ongeluk toe aan Dijkstra van de amateurs. ‘Zal door de warmte komen’, zegt de man naast me.
Ze probeert de fout te herstellen. ‘Niet Dijkstra maar Klavan bracht de stand op 4-3.’
Iedereen lacht. Honderd ogen kijken achterom in de richting van de omroepcabine, want Klavan maakte geen 4-3, maar 5-2.
‘Zo kun je een wedstrijd altijd weer spannend maken’, zegt een man.
‘Zou Finkers nog steeds denken dat er nooit iets te doen is in Almelo?’ zegt een vrouw.
‘Geef die dame een glaasje koud water’, adviseert een andere man.
Even later. Weer schiet iedereen in de lach. Op het scorebord aan de overkant verschijnt de stand 5-9. De microfoniste van PH roept ten einde raad een zekere Theo op. Theo komt, prutst wat aan de knoppen en vertrekt weer. Het scorebord geeft de goede stand weer weer. ‘Theo bedankt, Theo bedankt’, zingen een paar grapjurken. De microfoniste laat hen uitzingen en zegt: ‘Theo bedankt.’ Ja, ze heeft humor.

Het is dus gezellig bij PH. De club is alweer 90 jaar oud en nog altijd kras. Maar nu ik het er toch over heb. Ik vind dat de naam PH verdwijnen moet. Agendapunt 4 voor eerstvolgende jaarvergadering: voorstel tot wijziging van de clubnaam. Want een voetbalclub die genoemd is naar een van meest nutteloze leden van het koninklijk huis, dat kan niet. De letters PH zijn immers de initialen van Prins Hendrik. Deze beruchte vrouwenjager was de man van koningin Wilhelmina en was dus de grootvader van Beatrix. Hij stond bekend als veroorzaker van talloze problemen. Na 90 jaar is het genoeg geweest. Een notoire schuinsmarcheerder uit de vorige eeuw kan niet langer naamgever zijn van deze prachtige club.

Laten we een prijsvraag uitschrijven. Wie verzint een betere naam voor PH of wie verzint een andere betekenis voor de beide letters. Opdat de club over tien jaar bij het eeuwfeest eindelijk een fatsoenlijke naam voert. Overigens, de naam PB (Prins Bernhard) kan ook niet door de beugel. Om dezelfde reden.

Ideeën naar: g.eijsink@tubantia.wegener.nl

BOSCHKER NAAR BARCELONA

1 mei 2005
Mooi moment om deze maandagmorgen weer eens een kijkje te nemen bij de wekelijkse voetbalbabbelshow in de fietsenwerkplaats van Dick Reekers junior & senior in Enschede. Het seizoen zit er zo ongeveer op en in de verte naakt het WK. Koffieman Arend (nee, niet Van der Wel) is druk. Liefst negentien mannen laten zich de koffie goed smaken.

‘Ik kwam vorige week bij de Galgenwaard, maar had geen parkeerkaart. Ik draai mijn raampje open en roep tegen de steward bij de parkeerplaats: Bestuur KNVB. De goede man laat me meteen passeren. Ik stond vooraan, hahaha.’ Aan het woord is Willem Becking (supporter FC Twente/sponsor De Tubanters). Hij is goed op de hoogte, want hij legt het gezelschap haarfijn uit hoe het zit met de afwikkeling van de play-offs.

Wie zitten er nog meer in de kring rond de koffiepot? Theo Vonk is er in trainingspak met een grijs handdoekje om de nek en een pleister om de linkerduim. HSC-man Gerrit Volmer is er, de oud-doelmannen Henk Buursink en Hennie Ardesch, FC Twentes perskamerchef Loed ten Cate en ook weer Gerrit Pieters, de voorzitter van Rigtersbleek. Voetbalmakelaar Romeo Zondervan is eveneens in trainingspak. ‘Vraag eens hoe groot zijn jaaromzet is’, zegt Reekers sr.
‘In ieder geval te laag om een fatsoenlijk pak te kopen, hahaha’, reageert Becking.

FC Twente-Heerenveen moet dramatisch geweest zijn, maar Heerenveen en Bosvelt hadden het slim gespeeld, zo hoor ik in de kring. Verder meldt men dat het buiten veel te koud is en wordt de aanval van Hugo Borst in Studio Voetbal op de Enschedese KNVB-directeur Henk Kesler doorgenomen. ‘Voetbal is vooral voor de man in de straat en niet alleen voor hoge heren met geld’, gaat Reekers sr. een heel eind met Borst mee.

Pieters krijgt lof voor het binnenhalen van FC Porto dat bij de Bleek een oefenduel komt spelen. ‘Dank jullie allemaal’, zegt hij, ‘maar ik heb liever dat jullie een kaartje kopen en vervolgens wegblijven, haha.’ Nogmaals Pieters. Hij was zaterdagavond nog even in de stad geweest en had daar ene Marco Lammers van Vogido gesproken. Het gesprek was uitgelopen op een weddenschap. Voor iedere speler van de Bleek die na twaalf uur nog in de stad zou zijn, kon Lammers van Pieters een fles wijn krijgen. ‘Ik ging een café verder, keek rond en ben direct teruggegaan naar Lammers met de vraag of het rode of witte wijn moet zijn en waar ik de doos met flessen af kan leveren.’

Telefoon. De gsm van Becking. Hij kijkt op de display: ‘Alweer die curator,’ lacht hij.

Ding dong roept de winkelbel voor de achtste keer. ‘Dat doet Reekers zelf’, zegt er één. ‘Dan lijkt het net of het op maandagmorgen al druk is.’ Humor om te lachen daar tussen de fietsen.

Ardesch vertrekt. Hij is nog niet de deur uit of zijn nieuwe coupe wordt besproken. De voormalige keeper heeft zijn haardos getrakteerd op een jeugdig kleurtje en een keurige slag. Hij lijkt meteen tien jaar jonger.
‘Nog even’, zegt een grappenmaker, ‘of hij kan pupil van de week worden bij een wedstrijd van de Twentse Veteranen.’

NB Uiteraard gonst het tussen de kettingkasten en fietsbellen van de geruchten. Daar gaan we: Berthil ter Avest, Durmusoglu en een zekere Ayhan naar De Tubanters, Brilhuis van ATC naar Hengelo, Bruns niet naar Stevo maar naar HHC, Behlulovic naar Stadtlohn, Bruggink naar Alemannia Aachen, Sander Westerveld naar Feyenoord en Sander Boschker naar Barcelona.
‘Boschker naar Barcelona?’
Ja, op vakantie’, lacht de immer vrolijke Becking, ‘Ha, ha, ha.’

DE OUDE SPORTCLUB-EIK

Wat gaat er door hem heen? Wat voelt hij? Wat denkt hij elke week als aan zijn voeten de schermutselingen van Sportclub Enschede gaande zijn. Hij staat een meter of tien achter het rechter doel van het hoofdveld. De machtige takken hangen tot boven de goal. Hij is zeker 350 jaar oud, deze indrukwekkende eik. Onsterfelijk is hij, onverstoorbaar en gigantisch krachtig. Bladeren heeft hij, in tegenstelling tot zijn verre neven en nichten aan de overkant, nog nauwelijks. Dat komt allemaal in de maand mei pas. Het duurt elk jaar weer even voor deze heerser met zijn dak van bladeren voor verkwikkende schaduw kan zorgen op de rechterkant van het veld. Bij Sportclub zijn ze gek met hem. De onvergankelijkheid die hij uitstraalt, staat borg voor een voorspoedige toekomst van de Enschedese traditieclub. Maar deze zondagmiddag heeft hij het niet gemakkelijk. Want de club die hem zo na aan wortels en stam ligt, speelt geen beste wedstrijd tegen WSV, de concurrent voor de titel in de eerste klasse. Wanneer heeft hij hier zoveel volk bij elkaar gezien? Meer dan duizend? Dat moet heel lang geleden zijn. Sportclub is een mooie club, maar naar het eerste elftal kijken, is er aan het gros van de leden en supporters niet besteed.

Opeens hoort hij de stem van Mister. Mister? Ja, Mister Ernie George Robinson, de ex-trainer van Sportclub uit vervlogen tijden. ‘Hoe gaat het daar? Wat gebeurt er? Spelen mijn jongens goed?’ vraagt Mister. De trotse eik, die nog vaak contact heeft met de ruim tien jaar geleden overleden trainer, doet verslag.
‘Het is niet best vandaag, m’n beste Mister.’
‘Is Joop Janssen er ook?’
‘Ik heb hem wel gezien Mister, hoewel dat veel moeite kostte, want WSV overheerst ook langs de kant en op de tribune. Zie ze lopen met hun zwartwit gestreepte shirts. Vrienden van WSV staat erop of Café De Hofnar. Op een spandoek staat Liefde is…WSV. Dat ontroert me wel weer, zo’n vertederende tekst. Heej, ik zie een oude grijze WSV-man lopen van wel zeventig jaar met een sombrero op zijn rug en een trommeltje in de hand. Hoe naïef kan zo’n oude fan nog altijd zijn, Mister?
En ik zie ook een WSV-fan die in zijn buggy een kratje bier vervoert. Zijn maten ontvangen hem uitbundig, maar waar is het kind eigenlijk gebleven?’
‘Hoe gaat het de jongens op het veld?’ wil Mister vanzelfsprekend weten.
‘ Niet best Mister. Ze hebben het moeilijk. Het is alweer bijna afgelopen. Ik zag een bloedende neus van Geert Bijsterbosch, ik zag dat Martijn Abbenhues de bal zelfs van dichtbij nog niet in het doel kon krijgen, dat Björn Schurink kwaad was en een tegenstander sloeg, dat de boomlange Robert ten Wolde WSV een doelpunt gunde en dat Edwin van Eerten naar de benen van een opponent sprong en eruit moest. Ikzelf heb in al die eeuwen bliksem en sneeuwstormen doorstaan, maar de voetballers van Sportclub kunnen deze middag heel weinig verdragen. Ik zie hier, achter het doel, jongens van vijftien ruzie met elkaar maken. Ze dagen elkaar alsmaar uit. Gelukkig houdt een WSV-bestuurslid deze verhitte pubers in toom. O jee, het wordt 4-0 voor WSV. Wat een trieste voorjaarsdag. Nu het een keer ouderwets druk is, lukt het niet.’
‘Afgelopen? Dit heb ik in jaren niet meer meegemaakt’, mompelt Mister.

Wat ligt ten grondslag aan de intieme relatie tussen de koninklijke Sportclub-eik achter het rechter doel van het hoofdveld en wijlen Mister Ernie George Robinson, de oud- trainer van de club? Daarvoor moeten we eerst terug naar 1948 als Mister, zoals de Engelse oud-voetbalprof altijd genoemd werd, als beginnend trainer naar Enschede reist. Hij voorziet vervolgens in deze regio clubs als Sportclub Enschede, FC Twente, Rigtersbleek, Hengelo en Sparta van oefenstof en wijkt ook nog een blauwe maandag uit naar Helmondia.
Maar op een dag heeft hij pensioen en is hij uitgetraind. In zijn huis aan de Enschedese Drebbelstraat begint het nagenieten van al het goeds dat hij met genoemde clubs heeft beleefd. Mister, een eenvoudige, brave, sympathieke man, ontmoet zijn oude maten van Sportclub nog regelmatig. Zo bezoekt hij elke donderdagmiddag Job en Ria Hoomans.
Op een dag vertelt hij hen dat zijn vrouw Ivy graag naar Canada wil emigreren. Daar woont dochter Carry, waar ze jaarlijks al een paar maanden verblijven. ‘Ik heb Ivy beloofd dat we zullen gaan als de kat overleden is.’

Mister hoopt stiekem dat de kat hem overleeft. Hij is de 75 al gepasseerd als het beest plotseling dood gaat. Emigreren naar Canada wordt definitief een feit. Ten huize van Joop Janssen is de afscheidsavond. Joop, Job en Theo Kalter, ook een ex-pupil van Mister, alsmede de echtgenotes hebben het gezellig met Mister en Ivy, maar het is evenzeer een emotionele avond, omdat iedereen beseft dat het vrijwel zeker de laatste keer zal zijn, dat ze elkaar zien. Ook hangt overal in de kamer het grote verlangen van Mister om aan de Drebbelstraat te mogen blijven in plaats van op de ouwe dag naar

Vancouver te moeten verkassen. Maar het gebeurt wel. Hij en Ivy vertrekken de dag erna naar een flat in West-Canada waar ze voortaan tot groot verdriet van de oude trainer, vier hoog wonen. Eén keer belt hij Joop, zijn all time lievelingsspeler, en vertelt hem dat hij gruwelijke heimwee heeft.

Een jaar later – het is intussen 1992 geworden – lijdt Mister aan kanker en draagt kort voor zijn overlijden Ivy op om als de tijd van gaan gekomen is, zijn as naar Sportclub Enschede te brengen. Ze belooft het.
Zo reist ze een paar weken later met een loden kistje in haar bagage, dat gevuld is met de as van Mister, via Engeland waar ze schoonzoon Ron oppikt, naar Enschede. Daags na hun aankomst zal de as uitstrooiing plaatshebben. Het is een mooie zomerse dag, die donderdag de 28ste augustus 1991. Slechts de terreinknecht is aanwezig op het Sportclubveld als Theo, Job, Joop en Ron met het loden kistje arriveren. Het is de eerste keer dat Misters schoonzoon een voet op een voetbalveld zet. De vrouwen inclusief Ivy zitten in huize Hoomans aan de thee. De vier mannen zoeken een geschikte plek. Als vanzelf vallen hun ogen op de oude eik achter het rechter doel van het hoofdveld. Daar strooien ze om de beurt de as uit van Mister Ernie George Robinson, onderwijl een paar woorden zeggend ter nagedachtenis aan hun voormalige trainer en vriend.

Na de ceremonie heeft het achttal een dinertje bij Florilympha in het Lutterzand. En de volgende dag al aanvaarden Ivy en Ron de terugreis. Zo eindigt derhalve de geschiedenis van de Robinsons in Enschede.

NB Hiermee moge duidelijk zijn waarom Mister Robinson en de oude Sportclub-eik thans zo’n nauwe band hebben met elkaar.

 

EK voetbal 2004 – KLEINE VOETBALLANDEN

Zeg me dat het niet zo is, zeg me dat het niet waar is… Tien minuten na de finale sprong de grote Nederlander op uit zijn stoel en zong luid en duidelijk de versregels van Frank Boeijen. Hij had zich een aubergine kleurig shirt van de Portugese nationale ploeg gekocht en was in het restaurantje temidden van de echte Portugezen gaan zitten. ‘Omdat ik van dit kleine land ben gaan houden’, vertelde hij desgevraagd. ‘Omdat ik de mensen zo aardig vind en gastvrij. En, ‘zo sprak hij met stemverheffing, ‘ik vind ze buitengewoon positief.’
Hij sprak de waarheid, maar gelden deze eigenschappen ook niet voor de autochtonen van Spanje, Turkije, IJsland of Griekenland? De besnorde landgenoot was echter gevallen op de Portugezen en wilde dat weten ook. En daarom was hij na afloop zo teleurgesteld. Na zijn Frank Boeijen imitatie deed de man nog één uitspraak die geciteerd moet worden: ‘Ik kan nu van die Grieken al geen enkele naam meer noemen.’ De titel was terechtgekomen bij een stelletje naamlozen, bij een zootje voetballers van de tweede garnituur.

In de bewuste eettent waren we de afgelopen weken wel vaker. We hadden een goed contact met een van de obers. Niet al te groot, mooie zwarte haardos met slagen erin, rustig, vriendelijk. Pure voetballiefhebber die de opstellingen van de grote Portugese clubteams, maar ook van de Europese topclubs uit zijn hoofd kent. Zijn favoriete Nederlandse spelers? Van Basten, Rijkaard, Robben en Makaay.

Elke keer als Portugal moest spelen, had hij een probleem, want hij kon als fervent voetbalfan geen twee dingen tegelijk. Hij moest werken en hij moest de wedstrijd zien. Soms bracht hij ons tussendoor met trillende handen het bestelde eten. Zo nerveus was hij dan. Maar meestal werd hij ontzien door zijn collega’s. Die liepen dan een stapje harder voor hem, zodat hij in een hoekje van het etablissement de wedstrijd kon zien. Inderdaad, Portugezen zijn aardig. Ook voor elkaar.

De ober – hij heet João – praatte graag met ons. Zo hadden we een discussie van een uur over de opstellingen voor de wedstrijd Portugal-Nederland. Hij was bang dat Advocaat Kluivert èn Makaay zou opstellen. Dat zou teveel worden voor zijn ploeg, dacht hij. Wat me vooral bijbleef, was zijn meer dan vurige hoop op de Europese titel. Dat Portugal ooit eens kampioen zou mogen zijn. Porto als winnaar van de Champions League, dat was al mooi, maar Porto was niet zijn club. Hij is van Sporting Lissabon. ‘Voor een klein land als Portugal zou het ook eens moeten kunnen, dat het Europees kampioen wordt’, zei hij. Dat de prijzen niet op voorhand naar Duitsland, Italië, Frankrijk of Engeland gaan en zeker niet naar Spanje, dat  altijd lacht om de domme Portugezen. Net zoals Nederlanders om Belgen lachen en Duitsers om Oostenrijkers. Gelukkig voor João wonnen zijn jongens een dag of tien geleden van Spanje. Daar kan hij nog even op teren.

NB Gisteravond was hij vrij. Kon hij met zijn eigen mensen de finale kijken. Maar helaas voor hem werd Griekenland kampioen. Dat is een nog kleiner voetballand. Misschien kan dat een (schrale) troost zijn voor João.

 

EK voetbal 2004 – DE ACHTHOEKIGE BAR VAN ORANJE

Vrijdagmorgen. Pine Cliffs heet de luxe plek waar het Sheraton Hotel staat. We rijden er even naar toe. Het Nederlands elftal woonde er een maandje, maar moest donderdag in allerijl de koffers pakken.

Even wat rondneuzen daar. Eens kijken of alle kamers nog voorzien zijn van deuren. En of de lakens weer ontknoopt zijn. Op de parkeerplaats staan tientallen (heel grote) auto’s met Portugese vlaggen eraan in alle maten en soorten. Het optimisme kent ook hier inmiddels geen grenzen meer.

We gaan het hotel binnen. Tsjonge, wat een weelderigheid. We lopen door brede gangen. De spiegelwanden maken er zalen van. Aan de achterkant is het uitzicht schitterend. Er zijn weinig mooiere plekken op de wereld. Dennenbomen, de blauwe hemel en de zee vormen het decor van een vrij groot zwembad. Een vrouw smeert haar bovenlichaam in. Hopelijk doet ze daarna wel haar bovenstukje weer aan, maar dat terzijde. Hier en op het strand, dat een metertje of veertig lager ligt, slijten de rijken der aarde hun vrije tijd. Zo te zien zijn het mensen die 365 dagen per jaar vakantie hebben, hoewel de meeste nog lang niet de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben.

Op naar de achthoekige bar. Luis Vasgues, de barkeeper, voorspelt lachend een 3-0 overwinning voor zijn land. Losgeslagen!

‘Zijn de Nederlanders al weg?’ vraag ik hem.
‘Ja,’ zegt hij, ‘gisteren hebben we ze uitgezwaaid. Alleen Davids schijnt hier nog te zijn. Misschien vertrekt hij vandaag. Advocaat? Die is ook nog ergens in de buurt. Ik hoorde dat hij nog niet terug is gegaan naar Nederland’, lacht Luis mysterieus.

Hij laat kleurenfoto’s zien waar hij op staat met Van Nistelrooij en Frank de Boer. ‘Sympathieke jongens’, zegt hij met ogen vol bewondering. ‘Jammer dat hij vier maanden uitgeschakeld is’, wijst hij op De Boer.

Luis vertelt dat de spelers en trainers van Oranje elke avond na het eten een tijdje bij hem in de bar kwamen voor wat vertier en ontspanning tijdens de hectiek van het EK. ‘Ze dronken vooral koffie. En vruchtensappen voor de vitamines. Zo heb ik ze allemaal gesproken behalve Advocaat. Die heb ik hier niet gezien’, zegt Luis.

We gaan nog even op zoek naar het kamertje van Advocaat. Jammer, we mogen niet naar binnen. Ik had graag nog even willen kijken. Misschien lag er nog en kladje met een proeve erop van de mogelijke opstelling voor de finale. Doel: vdSar, achter: Reiziger, Stam, De Boer en vBronckhorst, midden: Bosvelt, Cocu, Davids en Bouma, voor: Heitinga en Zenden. Zoiets. Misschien vinden we er de restanten van een meubel dat eens ‘stoel’ genoemd werd, of de scherven van wat eens een glazen kan was. Welk drankje zou hij tijdens zijn nachtelijke contemplaties gedronken hebben?

Helaas. Ik kan het u niet melden.

Terug naar Luis Vasgues. We moeten nog afrekenen. Twee drankjes: 19.50 euro. Ik durf het niet om te rekenen in guldens.

NB. Luis vertelt me nog dat ik op dezelfde stoel zit als Patrick Kluivert een paar dagen eerder. Ik antwoord: ‘Er is nog een overeenkomst tussen Patrick en mij. We hebben beide geen seconde meegedaan aan dit EK.’