39 | BOOM & KUIPER

Ze verschillen negen jaar, Bert Boom en Hennie Kuiper. Slechts een enkele keer hebben ze tegen elkaar gefietst. Noem hen grootmeesters als het om wielrennen gaat. Per slot van rekening hebben ze een regenboogtrui in de kast hangen en hebben ze andere grote wedstrijden gewonnen, waarbij de erelijst van Hennie vele malen imposanter is dan die van Bert. Hij is altijd amateur gebleven. Hem moet je eigenlijk meer zien als de godfather van het regionale wielrennen.

Toen Bert als zijn koersen reed en vaak naar een plek op het erepodium sprintte of soleerde, kende Twente en omstreken nog weinig nationale toppers. Bert vond dat daar verandering in moest komen. Hij gaf de renners die hij tegenkwam of die hem thuis opzochten, nuttige tips. Ook aan Hennie. “Ik herinner me dat hij hier een keer langs kwam en ik hem trainings- en voedingsadviezen gaf. Hij zat als jonge renner al enorm vol van de sport. Had er alles voor over. Motieven genoeg om erover te praten en ervaringen uit te wisselen. Ik probeerde ook de bescheidenheid bij hem weg te halen. Je moet niet te hoog tegen anderen opkijken. Het zijn allemaal mensen van vlees en bloed. Ikzelf had dat veel minder”, vertelt Bert over zijn beroemde streekgenoot die ook over het materiaal adviezen kreeg van hem.

Hennie was leergierig en eerzuchtig. Hij wilde bij de besten horen. Als Bert trainingen gaf in de winterstop, kwam hij vanuit Noord-Deurningen met nog enkele renners bij hem uit de buurt naar Markelo of Holten om mee te trainen. Hennie zelf zegt daarover: “Bert heeft het wielrennen in deze regio enorm gepromoot. Mede door zijn initiatieven werd hier in de winter een crosscompetitie opgericht. Hij was ervan doordrongen dat renners in de winter veel te lang stil lagen. Ik bewonderde de toewijding van hem en enkele anderen zoals Wim Dieperink. Ze waren gek van fietsen. Hij organiseerde die trainingen en ik reed er via de Twickelse bossen naar toe. Ik was net profwielrenner geworden. Ik herinner me dat het op een dag ontzettend koud was en ik onderweg ook nog mijn muts verloor. Maar ik geloofde erin. We deden hardheid op bij Bert die ook hard voor zichzelf was”, aldus Hennie die Bert typeert als een man waar je naar luisterde en die als extra kwaliteit ook nog veel materiaalkennis had. Daar kon hij eveneens met enorm veel liefde over vertellen.”

Bert koestert de goeie relatie met Hennie. “Ook toen hij Olympisch en wereldkampioen werd en meer grote wedstrijden won, bleven we contact houden. Nu nog steeds. Of we bellen elkaar. Zeker wel een keer of vier, vijf per jaar. Hij nodigt me altijd uit als hij weer betrokken is bij een wielerevenement. Dat waardeer ik zeer.”

Bert zou Bert niet zijn als hij geen anekdote beschikbaar zou hebben. “Toen Hennie Olympisch kampioen was geworden en met zijn toenmalige vrouw van Schiphol naar Oldenzaal reed voor de huldiging, zei hij onderweg: ‘We gaan eerst nog bij Bert Boom langs’.
‘Ja maar, al die mensen die wachten op jouw komst’, was de reactie.
‘Nee, zei Hennie. Bert heeft meer aan die gouden plak bijgedragen dan dat huldigingscomité.’
Ze verschillen negen jaar en inderdaad kun je in de archieven nog uitslagen vinden waarin ze beiden genoemd worden. “Maar ik herinner me niet dat we ooit tegen elkaar gesprint hebben”, zegt Hennie. Waarschijnlijk was Bert hem dan te rap af geweest.

‘OUDE’ DEBUTANTEN

Remko Pasveer debuteerde donderdagavond in Oranje, hij is bijna 39 jaar! De keeper van Ajax is nu tweede op lijst van oudste debutanten in het Nederlands elftal. Het record is in handen van Sander Boschker, die twaalf jaar geleden op 39-jarige leeftijd debuteerde. Hoe toevallig: beide keepers wonen in het Hengelose Tuindorp op enkele honderden meters van elkaar.

Het was mooi dat collega Leon in de TCTub nog even aanstipte dat beide keepers in hun loopbaan jarenlang getraind zijn door Eddie Pasveer, de vader van Remko. Zijn invloed op de hun carrières is groot.

In de biografie van Sander, die ik in 2014 mocht schrijven, vertelt hij uitgebreid over zijn goede relatie met Eddie. Dat Remko een goede band met zijn vader annex trainer had, was logisch. Je zou zeggen dat het niet kan in het profvoetbal, een vader die zijn zoon traint en vooral bij keepers niet, omdat die bijna één op één met elkaar werken. Maar Eddie kon dat.

Ik heb beide keepers regelmatig bezig gezien onder zijn leiding, Sander bij FC Twente en Remko bij Heracles. Wat opviel was dat ze bij vlagen fanatiek en hard aan het trainen waren, maar ook dat ze tussendoor korte periodes met elkaar stonden te discussiëren.
Een citaat uit de biografie van Sander: “Ik kon bij Eddie ook mijn eigen visie kwijt. Dat werden soms behoorlijke discussies. Meestal was ik helemaal kapot. Dat vond ik prettig. Maar soms praatten we wat meer en liet hij me wat lekkere ballen pakken of deden we seriewerk. Dan ging ik ook met een goed gevoel onder de douche. Ik kon met Eddie lezen en schrijven, hij zorgde er altijd voor dat ik met een goed gevoel aan een wedstrijd begon. Ik kon ook met hem over privézaken praten. Ik wist dat het bij hem bleef en niet bij de trainer terecht kwam.”
Eddie Pasveer was zelf in de jaren zeventig ook keeper bij FC Twente. Meestal was hij reserve.

Ik ken hem als een aardige, maar ook zeer bevlogen sportman. Wat moet daar thuis in Enschede veel over voetbal en over sport in het algemeen gedebatteerd zijn. Zijn andere twee zonen konden ook goed voetballen en de enige dochter des huizes volleybalde enkele seizoenen in de eredivisie.

Toen Remko in 2014 van Heracles naar PSV ging, kreeg de toen 57-jarige Eddie bij Heracles prompt zijn congé. De club wilde verjongen in de technische staf. Niets ten nadele van zijn opvolger Brian van Loo, maar Eddie was destijds echt nog niet versleten. Jammer dat deze vakman daarna geen nieuwe profkeepers meer onder zijn hoede kreeg.

Maar wat zullen hij en zijn gezin trots geweest zijn op het debuut van Remko in de interland tegen de Polen. Als ik hen was zou ik alvast eens kijken hoe je aan tickets en hotelkamers komt in Qatar als daar op 20 november het WK begint.

38 | HET ETIKET RK

Beetje wielrenner heeft ook een partner. Ruim 54 jaar geleden, toen Bert nog Bertus heette, trouwde hij met Truus Wolters. Ze hadden elkaar ontmoet in Goor. Daar had je dancings als De Zon, De Ster en Kobes. Bertus kwam daar, Truus kwam daar. En ja, de bliksem sloeg in bij de wielrenner uit Herike en de knappe jongedame uit Enter. Alsof het zo moest zijn.

Eén ding: Truus was katholiek en Bertus een beetje protestant. “Ik ben toen katholiek geworden, anders werd ik niet goedgekeurd door de familie Wolters. Maar ik vond het een acceptabel geloof”, zegt Bert, “en niet eens zozeer vanwege het etiket RK. Het had ook gereformeerd of hervormd kunnen zijn. Mijn eigen ouders waren niet erg gelovig, maar waren ook geen tegenstanders van welke religie dan ook.”

Bertus werd in 1959 gedoopt in de katholieke kerk te Enter. Hij was 21 jaar en om dichterbij Truus te kunnen zijn, trok hij in bij Jo, de zus van Truus, die thans 96 jaar is. “Zo ging dat toen. Van samenwonen was geen sprake destijds. Jo had niks met wielrennen, maar dat kreeg ze sindsdien wel. De familie Wolters (bijgenaamd De Koele en spreek dat op z’n Twents uit aub) had twaalf kinderen. Ze raakten steeds meer betrokken bij de wielrennerij. Je had toen veel plaatselijke ronden met veel publiek. Dat vonden ze mooi, daar gingen ze graag naar toe.”

In 1968 – op 1 april – trouwden Bert en Truus. Ze kregen drie kinderen, Bart, Rik en Judith. Hoewel we haar ook soms op oude krantenfoto’s signaleren, leefde Truus in de schaduw van Bert. “Dat wilde ik liever”, vertelt Truus, “en zo is het ook altijd gegaan. Ik was op de achtergrond, maar soms moest ik met het circus mee. Bert ging zijn eigen gang, was met zijn grappen vaak het middelpunt van de groep. Ik stond er meestal alleen voor, Nee, het was niet altijd gemakkelijk met opgroeiende kinderen. En toen zij allang groot waren, was Bert als mecanicien verbonden was aan het Nederlands rolstoelbasketbalteam. Dan moest hij soms ver weg. Daar moest ik behoorlijk aan wennen toen.”

Dat hij in 1969 wereldkampioen werd, had ik niet verwacht”, zegt Truus. “Dat was heel apart, inclusief al die huldigingen. We hebben er met beide families enorm van genoten. Die wereldtitel bij de veteranen in 1975 vond ik nog leuker. We waren daar in Oostenrijk met een grote groep met oa de Harmelings en Wim Dieperink. Bert was toen 37 jaar. We vermaakten ons daar prima. Met de Harmelings was het gezellig en Wim Dieperink heb ik altijd een aardige man gevonden. Met hem kon ik goed praten.”

Terugkijkend op de jeugdjaren van de drie kinderen waardeert Bert het dat Truus hem bij veel koersen in de regio met de kinderen stond aan te moedigen. “Vaak ook”, zegt hij, “kwamen er wielrenners bij ons over de vloer. Zo groeiden de kinderen mee in de sport. Leuke tijd al met al.”

MOEDER

De twee heren op bijgaande foto worden vandaag 71 jaar. Toen de foto genomen werd, waren ze 63. René en Willy van de Kerkhof speelden vijftig jaar geleden bij FC Twente en dat was heel plezant. René (midden) was enorm snel. Hij werd wel eens teruggefloten voor buitenspel, terwijl hij op zeker net voor de middenlijn was vertrokken voor een ren langs de lijn. Mijn vader zei vaak: “Hij kan de corner voorzetten en vervolgens zelf inkoppen, zo snel is die Kerkhof.”

Zijn broer Willy was ook buitenspeler, maar werd bij de FC al gauw opgeleid tot ‘stofzuiger’.
Kees Rijvers had de tweeling van de Rooms-Katholieke sportvereniging Mulo in Meppen gezien in een wedstrijd van het Nederlands amateurelftal. Allerlei clubs wilden René, maar Rijvers adviseerde het FC-bestuur om ze allebei te nemen. Dat was een goede zet. De heren moesten namelijk niet onderhandelen met een slimme manager, maar met de moeder van de Helmondse jongens. Door ze allebei te willen inlijven, ging hun moeder na drie gesprekken met een overgang naar Twente akkoord.

“De contractbesprekingen met FC Twente vergeet ik nooit”, vertelde René mij ooit. Voor de ondertekening reisde mijn moeder mee naar Enschede. Dat was heel leuk voor haar. Ze was Helmond nog bijna nooit uit geweest. In Enschede viel ze op het station en had de knie gekneusd. Voor de handtekeningen gezet konden worden, moest ze eerst naar het ziekenhuis. De heren Hilbrink en Olijve waren erbij. Mijn moeder had vertrouwen in hen. Ik weet nog dat mijn moeder niet met de trein terug naar huis kon reizen. Hans Busschers, de chauffeur van Hilbrink, bracht ons terug naar Helmond.”
Prachtig, 52 jaar geleden alweer.

37 | BRONZEN KOEKENBAKKER

De derde keer dat Bert werd uitgezonden naar de wereldtitelstrijd op de baan voor stayers, won hij brons. Dat was in 1971 in Varese. Het was een WK met de nodige trammelant eromheen. Want Bert was Nederlands kampioen geworden achter Bruno Walrave, de man die hem twee jaar eerder naar de wereldtitel had geleid, maar hij mocht op het WK niet achter Walrave rijden. Hij kreeg Joop Stakenburg alias De Staak als gangmaker (zie de bijgaande actiefoto). Walrave en Noppie Koch die ook bekend stond als ervaren en slimme gangmaker, reden voor Duitsland en werden prompt wereldkampioen (Gnas-Walrave) en tweede (Podlesch-Koch). Stakenburg noemde Walrave en Koch ‘Het duo Slim&Slecht’.

Anno 2022 zegt Bert: “Ik was wel tevreden met die derde plek, want die twee Duitsers waren in vorm en ze hadden de beste gangmakers. Walrave en Koch beurden van de Duitse bond voor deze prestatie nog wat extra geld. Voor mij was het heel lastig om er meer uit te halen dan de bronzen plak.’

De samenwerking tussen Bert en Stakenburg verliep met ups en downs. “Toen hij nog met Cees Stam reed, noemde hij mij een koekenbakker. Maar toen hij de eerste keer met mij gereden had, zei hij: ‘Hé Boom, dat heb ik nog nooit meegemaakt. Dat iemand geen enkele keer “ho” roept als we een snelheid van boven de tachtig kilometer per uur rijden.’ Want met die snelheid vonden de meeste renners dat het te hard ging. Dan riepen ze naar de gangmaker dat hij langzamer moest rijden.”

Oud-baanrenner Joop Stakenburg was een Amsterdammer. In 1970 werd hij als gangmaker wereldkampioen met Cees Stam. “Joops vrouw was kledingherstelster, hijzelf werkte niet. Bovendien had zijn vrouw een grote som geld geërfd. Joop vertelde me toen dat hij vroeger op maandagochtend vaak dacht hoe hij in vredesnaam de week door moest komen, maar dat hij na die erfenis op maandagochtend dacht: ‘Hoe krijgen we dat geld allemaal op?'”

Joop Stakenburg is op 20 augustus 1989 overleden bij een noodlottig ongeluk op de Duitse Autobahn. De Staak heeft als gangmaker drie wereldtitels, drie Europese en zestien Nederlandse titels achter zijn naam staan.

Op het WK in Varese was ook Hengeloër Freddie Niemeijer van de partij. Hij was op het NK als tweede geëindigd achter Bert Boom en eindigde tenslotte op het WK als zesde.

36 | HET D-WOORD

Bert vertelde me dat hij destijds wel eens tegen zijn eigen medicijnen aan het fietsen was. Hoe dat kon? “Jan Spenkelink, de bekende mecanicien en adviseur van talloze toprenners, vroeg me eens om uit Spanje vier buisjes Benzedrine mee te brengen. Ik was daar op vakantie en dat wist hij. Jan had ze nodig tegen vermoeidheid, zei hij. Zo, ik kan er weer even tegen, zei hij bij thuiskomst. Een paar dagen later belde hij me op met de vraag of ik er nog meer had. In werkelijkheid deelde hij die tabletjes dus uit aan renners die erom vroegen. Het is een soort amfetamine. Je bent niet zo gauw moe, je kunt je beter concentreren. Dat is het nut ervan, zeggen ze.”

Zelfs de grote Wim van Est ging bij Spenkelink (foto) langs om tabletten te halen voor wedstrijden als Bordeaux-Parijs. Dat was bij menigeen bekend, zo vertelde oud-renner Wim Derkink mij. Spenkelink had een handeltje in die drogerende tabletten. Bert wil er verder niet veel over kwijt. Hij heeft na die ene dienst voor de Hengelose mecanicien nooit meer voor hem dienst gedaan als een soort koerier. “Ik reed de dagen erna wedstrijden tegen renners die dankzij de tabletten die ik zelf mee had gebracht, veel beter reden dan anders”, glimlacht hij.
Doping. Dat beladen onderwerp moesten we nog bespreken. Ik vond in Berts doos met knipsels het bericht over Piet Kettenis en vroeg of hij zelf wel eens gebruikt had. Want het is geen geheim dat ook Bert wel eens verdacht werd van dopinggebruik. “Vaak worden zulke opmerkingen uit jaloezie gemaakt”, reageert hij. “Als je goed rijdt zeggen ze: ‘Hij doet het ook’. Bewijs hadden ze niet. Steek de hand in eigen boezem, dacht ik dan.”
Bert zegt er verder het volgende over in de richting van wielrenners en andere topsporters. “Leef voor je sport en weet wat je doet. Als je jezelf goed verzorgt, als je hard traint en slim koerst, drukken ze soms toch het stempel op je, dat je gebruikt. Dat is heel vervelend, als je gewonnen hebt of goede uitslagen gemaakt hebt. Overigens, een renner die weinig traint en pillen neemt, slaapt drie nachten niet. Dus blijf eraf. Dat is mijn boodschap.”
Natuurlijk heeft hij in zijn lange loopbaan als renner, coach of mecanicien veel misstanden gezien. “Maar”, zegt hij gedecideerd, “Ik heb zoveel plezier aan de sport beleefd dat ik liever niet de zwarte pagina’s uit de geschiedenis van het wielrennen wil oprakelen. Waarvoor? Ik heb veel te danken aan de sport. Ik ga dat nu niet meer bezoedelen met verhalen over situaties die ik van dichtbij meegemaakt heb.”
De broers Henk en Hans, zoon Bart en plaatsgenoot Hennie Stamsnijder, renners die hij trainde en coachte, kregen van hem regelmatig de waarschuwing alert te zijn. “Kijk uit voor vreemde soigneurs, zei ik dan.”
Daar wil Bert het bij laten.

DE CERBERUS VAN DE FC

Denken wij in deze contreien terug aan Piet Schrijvers dan kom je snel uit bij zijn Twentse periode. De robuuste keeper van de FC was een absolute topper. Wilde een tegenstander een doelpunt maken dan moesten ze langs verdedigers die wisten hoe je een opponent moest bespelen en kregen ze dan toch nog de kans om een doelpoging te wagen, dan stond daar de onverschrokken, onverzettelijke, onpasseerbare Piet. In mijn boek De Top 50 van FC Twente stond hij op de zevende plaats.

Eerst een vrij onbekende anekdote. Piet brak medio 1968 een botje in een hand en die moest tot zijn grote spijt in het gips. Omdat hij bang is dat zijn op handen zijnde overgang van DWS naar FC Twente in gevaar kwam, liet hij het gips er prompt weer af halen. Piet speelde, ondanks de pijn, zijn wedstrijden. Zo begon zijn indrukwekkende loopbaan op het hoogste niveau in Nederland, want de FC haalde hem binnen.

Voetballiefhebbers die het kunnen weten, die hem vaak hebben zien keepen bij de FC weten dat die zevende plaats in de Top-50 misschien nog wel aan de lage kant is. Want hij was buitengewoon goed. Hij was beestachtig goed. Geen spits durfde bij een corner of een vrije schop van de zijkant bij hem in de buurt te komen. Hij was de stoere cipier van het Twente-doel, de Cerberus van de FC. In 1974, na het beroemde WK in Duitsland, vertrok hij naar Ajax. Daar was hij ook prima, kreeg de bijnaam Beer van de Meer, won tig hoofdprijzen, maar zo goed als bij de FC is hij nooit meer geworden. Hij is zelfs met Kees van Ierssel, Epi Drost, Willem de Vries en Kalle Oranen al sinds 1972 recordhouder als minst gepasseerde verdediging van de eredivisie met slechts dertien doelpunten. Prachtig!

In mijn werkzame periode heb ik hem vaak gesproken. Voor de radio en voor de krant. Op de bouw van zijn huis aan de Els in Haaksbergen, in het Diekman of elders na wedstrijden als hij weer eens uitgeblonken had, bij hem thuis in Ermelo etc. Hij was altijd openhartig. Geen blad voor de mond. Van alles schiet me te binnen. Dat ik hem op een zondagmiddag na een thuiswedstrijd wilde interviewen voor Radio Oost, maar dat het opnameapparaat hapert. Het moest drie keer over, ik werd behoorlijk nerveus, maar hij bleef geduldig wachten. Zo fijn en sympathiek.

Dat hij vanuit Ermelo naar Enschede kwam om een prijs uit te reiken of op locatie geïnterviewd te worden voor de biografie van Sander Boschker waarvan hij trainer was geweest, voor boeken over het jubilerende FC Twente of het signeren ervan of voor een radio-uitzending van de Vara in de Kleine Willem etc. Hij zei nooit nee. Zo sympathiek. En vooral ook vond hij het altijd prettig om terug te blikken op zijn tijd bij de Enschedese club, waar hij snel uitgroeide tot een topkeeper. “Overal heb ik een leuke tijd gehad”, zei hij dan, “maar bij de FC het leukst.” Typerend is dat zijn vrouw Kathy altijd fan is gebleven van FC Twente.

Jammer dat de heer Alzheimer hem te pakken kreeg. Daardoor werd hij maar 75 jaar.

Hieronder wat cijfers en feiten van Piet toen hij tussen ’68 en ’74 in Enschede speelde: 240 officiële wedstrijden (competitie 195, beker 16, Europa Cup 23, Intertoto 6. Interlands 46 (5 als speler FC Twente).

VOOR DE KONINGIN

Alle lof voor Thymen Arensman die gisteren een zware bergrit won in de Vuelta. De Gelderlander van DSM was de winnaar van de zogenaamde Koninginnerit en dat is een grote eer. Met Arensman heeft 111 keer een Nederlander een etappe gewonnen in de Ronde van Spanje. Gerben Karstens won er 14.
Waren er ook Twentse winnaars in de Vuelta?
Jazeker. Hennie Kuiper natuurlijk. Bijna won hij de Ronde van Spanje in 1976, droeg de gele trui tot de voorlaatste etappe, maar kreeg pech en werd uiteindelijk zesde. Wel won hij dat jaar een etappe, dwz zijn Ti-Raleigh-ploeggenoot Haritz won de vierde etappe nipt voor Hennie, maar werd later wegens dopinggebruik uit de uitslag geschrapt.
Hennie had een jaar eerder ook al een etappe gewonnen. Dat was een bergrit. Hennie finishte toen solo in Miranda de Ebro. Hij eindigde dat jaar als vijfde in het eindklassement.

Jos Lammertink (foto boven) uit Wierden won eveneens twee etappes in de Ronde van Spanje. Dat was in 1980. Hij won toen in Burgos de zesde etappe door een lange ontsnapping keurig af te ronden. Na afloop droeg Jos de etappezege op aan Koningin Beatrix. Een jaar later won hij weer een etappe. In Sevilla won hij de sprint van een groep van 48 renners.

Dan Erwin Nijboer uit Denekamp (rechts). Hij won in 1990 de vierde etappe. Na een lange vlucht was hij sneller dan zijn de Italiaanse medevluchter Tebaldi. Acht seconden later volgde het peloton.

Tom Stamsnijder (foto onder) werd in 2007 tweede achter Andreas Klier die later betrapt werd op doping, waarna hij al zijn resultaten kwijt was. Zodoende werd Tom in die Vuelta in Pacheco winnaar van de dertiende etappe.
Wie volgt?

TSJEULEU

De FC vs PSV zaterdagavond. Het was weer een fijne animatie. De Tukkers speelden een schitterende partij (vooral in de eerste helft) en wonnen van de ploeg die honderden miljoenen waard schijnt te zijn.

Neem Cody Gakpo en Ibrahim Sangaré. Zij waren vorige week samen nog € 100.000.000 (honderd miljoen dus) waard. Ze konden beide naar het voetbalwalhalla Engeland, maar ze gingen niet. Nee, ze gingen gisteren naar Enschede, naar de Veste.

Vorig jaar waren beide heren erbij toen de FC met 3-0 de leiding nam en PSV uiteindelijk nog goed weg zag komen met 3-3. Een gewaarschuwd elftal telt voor twee, maar dat geldt niet voor PSV. De mannen van Ruud van Nistelrooy en Fred Rutten kregen nu wel een nederlaag aan de broek. 2-1. Mooie, verdiende uitslag.

Ik kan er nog veel meer over vertellen, maar ik licht er één aspect uit. Hoeveel kilometer zouden Ramiz Zerrouki en Mathias Ullereng Kjølø (spreek uit Tsjeuleu) gisteravond gelopen hebben? Ramiz kenden we al. Geweldige speler, gisteren ook weer.

Maar Kjølø (Tsjeuleu dus) was aanvankelijk nog wisselspeler bij de FC. Gisteren was hij overal op het veld en deed niks fout. Vandaag loopt hij de Estaimpuis-marathon in België en als er morgen ergens nog een marathon is, dan zal hij daar ook aan de start staan.

Wat heb ik me verbaasd over dat kleine Noorse mannetje met het uiterlijk van een scholier. En pas op, hij kan voetballen. Ik geloof niet dat hij ook maar één bal naar een Eindhovenaar heeft gespeeld. (Als hij dat wel gedaan zou hebben, hadden we hem dat vergeven, want hij komt van PSV. Daar heeft hij vijf seizoenen gespeeld. Dan had hij zich heel even vergist in het shirt.)

De FC nam hem over voor drie ton en gisteren was hij Sangaré (50 miljoen dus, Gakpo (50 miljoen) en veel andere oud-collega’s te glad af. Zijn oud-trainer Ruud van Nistelrooy trok geïrriteerd een haar uit zijn baard. “Waarom heb ik dat menneke in vredesnaam laten gaan?”

PS. Ik kreeg intussen uit betrouwbare bron door dat de kleine Noor afgelopen zaterdagavond de meeste meters heeft gemaakt van elle spelers: 12,8 km. Best veel dus.
(Tussen twee haakjes. Wat zullen die FC-spelers balen als ze terugdenken aan die wedstrijd tegen Volendam vorig week.)

foto FC Twente. Tsjeuleu in actie tussen een boel PSV’ers.

35 | BOOM & DIEPERINK

Af en toe kijken we naar de leeftijdsgenoten van Bert, de mannen met wie hij talloze koersen reed. Wim Dieperink uit Barchem staat er goed op bij hem. “Wim is een paar dagen jonger. Het is een moeilijke prater, maar op de fiets was hij een uitblinker. Strijdlust, sterk, mooie stijl. Hoewel ik in de spurt rapper was”, zegt Bert. Niettemin herinnert hij zich dat hij Dieperink in de Ronde van Goor eens voor moest laten gaan. “Dat kwam omdat er kort voor de streep een hobbel in de weg zat, waardoor ik uit balans raakte”, luidt meer dan zestig jaar later de verklaring.

Toen ze beiden al bij de veteranen reden, moest Bert zijn maat nog een keer voor laten gaan. Dat was bij een wedstrijd in Hellendoorn. Wim zou voor Bert de spurt aantrekken. Maar hij deed dat een ronde te vroeg, waardoor hij zelf als winnaar over de streep ging. De overwinning was vervolgens het gesprek van de dag. Beiden lachten erom. Zulke dingen gebeurden wel eens in de tijd dat ieder dorp nog een koers organiseerde.

Bert en zijn Achterhoekse maat reden ook samen een aantal internationale etappekoersen. Wim die enkele jaren voor Polynorm fietste, nam destijds regelmatig deel aan de bekende klassiekers. Hij won er geen, maar zat vaak voorin. “Het was een knokker”, zegt Bert, “hij zat meestal in de juiste ontsnapping.”
Ik belde Wim over Bert. “Met Bert was het altijd lachen”, zei Wim, maar hij meldt er meteen bij dat er wel echt gekoerst werd in hun jonge jaren. “Bert en ik werkten veel samen. We lagen elkaar, kwamen allebei uit het oosten en waren in sommige wedstrijden een beetje op elkaar aangewezen. We waren even oud, waren van hetzelfde niveau en kwamen elkaar vaak tegen.”

Wim vertelt dat hij en Bert samen aan heel wat wedstrijden deelgenomen hebben en in koppelwedstrijden meer dan eens het winnende duo waren. “We probeerden elkaar in diverse wedstrijden zoveel mogelijk te helpen om een goede uitslag te realiseren. Dat liep af en toe wel eens goed mis, maar onderlinge verwijten waren er nooit. We reden alle twee in 1962 de rondes van Tunesië en Oost-Duitsland, in het Oranje-tricot. Ook koersten we beiden een tijdje voor het Duitse fietsenmerk Sterntor.

Wim typeert Bert als een van de mensen die aan de bakermat van de wielercultuur in Oost-Nederland heeft gestaan. “Zijn wereldtitel heeft ertoe bijgedragen dat oosterlingen, die in de regel met een behoorlijk minderwaardigheidscomplex behept waren, de overtuiging kregen dat ze wel degelijk tot topprestaties in staat waren”, zegt hij.

Wim werkte 18 jaar in Zwitserland en woonde in de buurt van Lausanne. Daar fietste hij wedstrijden voor veteranen. “Je had daar veel Italiaanse en Spaanse arbeidsmigranten. Dat waren echte wielerliefhebbers. Er deden aan die koersen altijd veel Italianen, Spanjaarden Fransen mee. Het was een leuke tijd.”
Hij wijst erop dat Bert veel aanzien genoot als mecanicien. In de jaren ’90 zat Bert zelfs naast Hennie Kuiper, in de ploegleidersauto van Motorola, omdat hij de koers zo goed kon ‘lezen’, misschien wel beter dan José de Cauwer. Wij woonden destijds in Zwitserland. Ik wachtte in Lausanne aan de finish van de Ronde van Zwitserland op Hennie en ontmoette hem daar tot mijn verbazing in het gezelschap van Bert en… Lance Armstrong!

Wim werkte ook nog een paar jaar in China. Met zijn HTS-opleiding werktuigbouwkunde stuurde zijn Lochemse werkgever hem graag op pad. Zo’n 25 jaar geleden ging hij in Aalten wonen. Daar bleef hij fietsen en werd hij een actief lid van De Peddelaars. Hij leidde er jonge, talentvolle renners op. “Ik had onder andere Robert Gesink onder mijn hoede”, zei hij met enige trots. De Peddelaars schatte zijn vakmanschap naar waarde in en benoemde Wim tot lid van verdienste.

Hiernaast Wim Dieperink plus de uitslag van de ronde van Vriezenveen. .