49 | OP DE MUUR VOORIN

De 77ste editie van de Omloop Het Nieuwsblad is morgen. Echter toen Jos deze eerste grote koers van het wielerseizoen reed, was de naam nog Omloop Het Volk. In de tijd van Jos was daar alles op gericht. Koersen in Zuid-Europa was leuk en aardig, maar ze waren slechts bedoeld als voorbereiding op de echte start in het vroege voorjaar in Gent. Voor het eerst in het seizoen moet je echt met de billen bloot. Iedereen staat te trappelen.

Jos was nog maar net prof in 1980 toen hij al met de HB-ploeg op de startlijst stond. “Ik wist intussen wel dat je bij de Muur van Geraardsbergen voorin moest zitten. Dat was mijn focus en ik herinner me nog goed dat ik daar om maar voorin te blijven al behoorlijk met mijn krachten had gesmeten. De kasseien lagen er zo slecht in, ze waren ook spekglad, maar desondanks reed Roger de Vlaeminck daar zo verschrikkelijk hard naar boven dat hij iedereen eraf reed. Jan Raas kon nog het langst volgen maar moest ook capituleren”, vertelt Jos. “Het bleef bij een korte uitval van Roger. Hij had even een demonstratie gegeven en liet zich terugvallen in het peloton om zich op te maken voor de sprint. Uiteindelijk werd Jos elfde. Joseph Bruyère, een van de loyale knechten van Eddy Merckx was dat jaar de eerste renner die de finish in Ninove passeerde. Hij was alleen vooruit en won, niet omdat hij de sterkste was, maar omdat de sprinters elkaar te lang bleven aankijken.

In 1984 was Jos toegetreden tot de Panasonic ploeg van Post en toog hij met de Belgen: Vanderaerden, de gebroeders Planckaert, De Keulenaar en Nulens naar de start in Gent. “Met de Belgische coureurs erbij ga je vanzelf anders naar die koers gaat kijken”, betoogt Jos. “Voor een Belgische wielrenner is de Omloop het Volk veel meer dan een klassieker op de kalender. Het vertegenwoordigt de erfenis van het Belgische wielrennen, met zijn kasseien, hellingen en onvoorspelbare weersomstandigheden.”
En die omstandigheden waren niet uitnodigend, twee graden boven nul en regen. Dat jaar in de Omloop Het Volk kon meteen de strijd losbarsten met het andere deel van de gestopte Raleigh-ploeg die zich in de Kwantum-ploeg van Jan Raas hadden verenigd. Door de animositeit tussen beide ploegen merkte je wel dat deze koers heel belangrijk was. “We zaten met vijf Panasonics  bij de eerste tien. De Muur van Geraardsbergen met spekgladde kasseien speelde weer een belangrijke rol. Het was hard tegen hard, maar wij overheersten de koers volledig. Eddy Planckaert won, ik werd vijfde.” Die Omloop kan getypeerd worden als een slijtageslag. Uiteindelijk kwamen maar 25 coureurs aan de meet.

“Dat was altijd wel mijn ding”, zegt Jos. “Vechten tegen de elementen, niet van dat benauwde. Maar het kan altijd gekker. Ik weet nog dat we in 1986 ’s morgens de gordijnen van de hotelkamer open deden en een dikke pak sneeuw zagen liggen. Afgelast. De teleurstelling was groot.”
Jos reed de Omloop Het Volk een keer of vijf, maar finishte alleen in 1989 nog. Namens TVM werd hij 78ste. Etienne De Wilde was dat jaar de winnaar.
(foto boven: Jos en de latere winnaar Joseph Bruyère naast elkaar)

BALVASTE BON-VIVANT

Terug naar 2004, een jaar voor het veertigjarig bestaan van FC Twente. Ik was het boek ‘De Top 40 van FC Twente’ aan het schrijven en besprak zo links en rechts met voetbalkenners die een groot deel van de geschiedenis van de FC hadden meegemaakt, wat de volgorde van de Top 40 zou moeten worden.
Voetbalmanager Ton van Dalen had ook van mijn plannen gehoord en bromde op een zondag voorafgaand aan een thuiswedstrijd:
“Voor dat boek van jou. Jan Sørensen hoort absoluut op de eerste plaats te staan.”
“Daar komt ie niet te staan”, reageerde ik.

“Dan heb je er geen verstand van”, baste hij en vervolgde zijn weg naar z’n tribuneplaats. Later begon hij er nog eens over. “Sørensen op 1 en niemand anders.”

Ik snapte Ton wel. Sørensen was een fenomeen. Technisch goed, niet van de bal te krijgen, slim, leider van het team, doeltreffend ook. Hij was toentertijd (1983- ’85) de beste speler, kon als geen ander het spel lezen en verdelen. Sommigen vergeleken Jan Sørensen met Abe Lenstra of met Wim van Hanegem en dat was niet onterecht. Toch gingen die vergelijkingen mank, zoals ze dat altijd doen.
De omstandigheden waren destijds in zijn voordeel. De FC speelde onderin de eredivisie en vervolgens in de eerste divisie. Later bij Feyenoord en Ajax zag je dat het hogere niveau niet meer aan de Deen besteed was. Daar raakte hij uit de gratie. Niettemin was Sørensen zeker een topspeler. Maar zijn beste tijd had hij bij FC Brugge gehad.
In 2013 bezocht ik hem in zijn eigen café in het Engelse Tamworth voor een interview. Hij was herstellende van een prostaatoperatie, een defibrillator had al drie keer zijn leven gered en hij was recent gescheiden. Daar vroeg hij me om aan de leiders van FC Twente te melden dat hij dolgraag werkzaamheden, bijvoorbeeld als scout, voor de club zou willen doen. Zijn jongste zoon was achttien jaar en kon zo langzamerhand op eigen benen staan. “Ik wil terug naar Enschede. Ik betaal mezelf terug”, zei hij. “Daar ben ik van overtuigd. Als de bazen van FC Twente vinden, dat ik er wat kan doen, ben ik bereid.” Wonderlijk was deze aanzoek eigenlijk wel , want hij speelde maar 2,5 jaar bij de FC. Toch zat de club en de regio diep in zijn hart. Ik heb die wens toen bij FC gedropt, maar er gebeurde niks. Ik denk dat ze geen vacature hadden voor Jan.

Tenslotte zette ik hem in het boek op de zesde plaats. Achter Drost, Pahlplatz sr, Van Dijk, Jeuring en Schrijvers.

Op de vraag wat zijn vijf meest memorabele momenten bij de FC waren geweest, noemde hij:
“Dat we meteen weer promoveerden na de degradatie in ’83. Dat kwam vooral door de positieve inbreng van trainer Fritz Korbach. Hij accepteerde geen enkel negatief geluid en wist al gauw een positieve omslag te realiseren in de groep.”
“Mijn verstandhouding op het veld met Manuel Sanchez Torres. Dat was voor hem en mij een goede zaak. Ik wist altijd wat hij ging doen en hij wist altijd wat ik van plan was.”
“De leuke tijd in Enschede buiten het voetbal om. Ik heb daar louter positieve herinneringen aan. Ik heb nog altijd contact met een aantal mensen in daar.”
“In het begin werd er in Twente een beetje negatief over mij gesproken, omdat ik een dure speler was. Maar ik werd uiteindelijk goedkoop, want ik had de opdracht om met Twente terug te keren in de eredivisie en dat hebben we toch maar mooi tot stand gebracht.”
“Ik denk ook terug aan een negatieve situatie rond Korbach. Ik was nogal vaak betrokken bij beslissingen rond het elftal en heb toen een paar keer iets gezegd wat hem niet aanstond. Toen was het ineens over tussen ons en ben ik uiteindelijk overgestapt naar Feyenoord.”
Jan Sørensen is uit de tijd geraakt. Ik las in deze verdrietige dagen na zijn overlijden fijne verhalen over hem. Nog maar 68, maar door allerlei fysieke problemen was de koek op. Hij moest zich gewonnen geven. Ergens in het hiernamaals zie ik hem discussiëren met Ton van Dalen of met Spitz, de man die hem eind 1982 naar Enschede lokte.
RIP Jan.
(foto boven Jan Sørensen (links) in gesprek met Fritz Korbach – de portretfoto is uit 2013)

48 | VENI VIDI VICI

In 1973 begon het spektakel. De naam van de 15-jarige Jos Lammertink werd ingeschreven bij de KNWU. Hij kreeg een licentie en mocht aan officiële wedstrijden meedoen. We bekijken de plakboeken en de uitslagenlijsten die zo links en rechts te vinden zijn op het wereldwijde net. Maar Jos was niet meteen een winnaar. Waar hij als adspirant, zoals de jongste categorie toen nog heette, aan de start kwam, hadden zijn concurrenten nog volop kans op de overwinning. “Ik was met mijn tweedehands fietsje aan het pionieren. Af en toe won ik een koersje. De jongens die toen wonnen, waren meestal tweedejaars adspiranten en dat scheelt vaak op die leeftijd.”

Een jaar later werd hij nieuweling. Jos streed tegen leeftijdsgenoten en daar won hij vaak. “Ik reed overal in het land. Het fietsen ging goed. Ik wilde graag aan al die koersen meedoen. Het winnen ging me steeds beter af en ik kreeg  er steeds meer aardigheid aan. Ik ging samen met Nico Hilberink naar de wedstrijden. Hij reed bij de amateurs.” Jos en Nico hadden een soort coach die zijn auto beschikbaar stelde. Nico had een rijbewijs en reed. In Brabant kon Jos als junior al startgeld vragen. “Soms 25 gulden, soms vijf tientjes. Ze wilden me destijds in verschillende plaatsen al aan de start hebben. In heel veel uitslagen kom je bij de nieuwelingen en junioren mijn naam tegen en bij de amateurs die van Nico. Soms werden we beiden eerste, zoals op 3 augustus  1974 in Putten.
PUTTEN.(1974.08.03) Amateurs: 1. Nico Hilberink; 2. Joop Ribbers; 3. Piet Nederlof.
Nieuwelingen: 1. Jos Lammertink; 2. Mart Schuffelers; 3. Simon Meijn.
ASSENDELFT.(1974.10.05). Amateurs: 1. N. Hilberink, 2. J. Bakker, 3. R. Groen, 4. J. Ribbers, 5. S. Schuitemaker, 6. B. Huveneers, 7. A. Versluis, 8. F. v. d. Enden, 9. J. Kettenis, 10. P. Koeleman.
Nieuwelingen: 1. J. Lammertink, 2. S. Meijn, 3. S. Snijders, 4. E. de Nijs, 5. R. Janszen, 6. W. de Bruyn.

Jos beleefde een prettige tijd, zo vertelt hij. “Ik was het hele jaar door lekker onder de pannen met al die criteriums en tussendoor ging ik naar school en droomde ik van de Amstelploeg. Als ik daarvoor ooit toch eens zou mogen fietsen.”
In 1975 werd de nieuweling vanzelf junior. Veni, vidi, vici. Jos kwam, zag en overwon bijna in iedere koers waar hij inschreef. En zo niet, dan stond hij op het podium. Ook de klassiekers voor junioren won hij bijna allemaal. Het Land van Bartje, de Flevo Tour, de Omloop van het Lage Land, De Acht van Bladel: Jos zegevierde. Overigens was hij op de finish van de Flevo Tour op 29 mei 1976 misschien niet de winnaar, maar werd hij wel opgeroepen om als nummer 1 naar het podium te komen, tot grote woede van Ruud van der Rakt die van mening was dat hij gewonnen had. Jos daarover: “In de laatste ronde knapte een spaak en mijn wiel liep tegen de remblokken aan. Toen had ik een probleem, want je kunt niet even snel een wiel wisselen. Maar ik ging wel als eerste door de laatste bocht, ging iets te vroeg de lange spurt aan en werd langzaam maar zeker ingehaald door Ruud. Hij was een tikkeltje eerder over de meet. Ik feliciteerde hem, maar de speaker riep mij als winnaar uit. ‘Wil de winnaar Jos Lammertink zich melden bij de finish’, hoorde ik omroepen. Daar zei Ruud dat ik hem net daarvoor nog gefeliciteerd had. Ik zei: ‘Ja, dat klopt. Met de tweede plek’. Later stond in de Wielerrevue een foto waarop goed te zien was dat Ruud net iets eerder de streep passeerde. Jan van Ommen, de aankomstrechter, vertelde me destijds nog een paar keer dat hij daar geblunderd had.

Blijkbaar was mijn lange reeks aan overwinningen tot dat moment de reden dat hij mij als vanzelf daar ook in Lelystad als winnaar zag finishen.”
Trouwens Jos’ broer Herman heeft de Flevo Tour een jaar later ook gewonnen.

Op 7 augustus 1976 leek de aan de finish van de 17e Omloop door het Land van Bartje het scenario van de Flevo Tour zich te herhalen. Jos werd tot winnaar uitgeroepen na een vlammende eindspurt met Peter Verheijen en Leo Veeke. Het blad Wielersport schreef dat een huilende Peter Verheijen, een nors kijkende Leo Veeke en een evenmin vrolijke Jos Lammertink speaker Jan van Ommen flankeerden bij de huldiging van de drie prijswinnaars. Lammertink was als winnaar uitgeroepen. Een hevig geëmotioneerde Peter Verheijen zei: ‘Met jullie als jury heb ik niets te maken. Ik ben eerste en niemand anders. Jullie gappen een overwinning van me af.’ Dat was, zo schreef Wielersport, een ongecontroleerde uitspraak van de jongen, zeker zo kort na de wedstrijd. Iedereen weet dat als de uitslag, zeker in dit geval (alle drie juryleden hadden Lammertink gezien als winnaar) vast staat en vrij wordt gegeven, er niets meer verandert. “Later was Verheijen weer voor rede vatbaar”, vertelt Jos die hem op Facebook nog af en toe volgt waar Verheijen zich manifesteert als Indian Pete, een Brabantse paradijsvogel die wijd en zijd bekend is daar.
De Dorpenomloop in Rucphen in maart 1977 was ook voor Jos. Wielersport citeerde destijds Broers die in een ontsnapping zat : ‘Ik keek onder mijn arm door en zag hem komen. Op dat moment zeg je natuurlijk tegen de anderen: Jongens, rijden, daar komt Lammertink aan, maar al snel moesten wij toegeven dat hij de beste was. We hebben er met z’n drieën alles aan gedaan, maar we konden niet verhinderen dat hij ons trio tot een kwartet kwam uitbreiden.’ (foto links de eerste drie van de Dorpenomloop)
Jos: “Ik weet nog dat ik boordevol moraal zat, want ik reed al op mijn RIH-fiets van de Amstel ploeg. Wie ging mij daarop verslaan? De koers werd door de concurrentie volledig op mij afgestemd, maar het parcours was niet lastig genoeg en er stond te weinig wind om het peloton uit elkaar te rijden. In de laatste omloop kwamen we met vier man voorop en de tactiek van degene die het langst kon volgen, Johnny Broers, was om vooral niet op kop te rijden. Ik was ervan overtuigd dat ik hem kon kloppen. Maar de sprint aantrekken en je toch niet laten passeren is niet zo gemakkelijk, hij kwam toch nog heel erg dichtbij.”

Het verslag in Wielersport, van  zijn laatste koers bij de junioren Ronde van het Lage Land.(1977.03.26) begon aldus:

JOS LAMMERTINK niet te stuiten
Twee dagen voor zijn afscheid als junior heeft Jos Lammertink uit het Overijsselse Wierden nog eens verduidelijkt wat mentaliteit is in de wielersport. Een echte vechtersbaas op de fiets, een man die door wil gaan tot het bittere eind om dan aan de finish op te merken: ‘Het was een pittig tochtje.’ Het was diezelfde Jos Lammertink die zaterdagmiddag in de straten van Koog aan de Zaan daarvoor werd beloond met de 72e zege als junior en zijn tweede overwinning in het amper twee weken oude wielerseizoen. Dat “vechtersbaas” sloeg overigens niet op een vechtpartij, maar op een valpartij 10 kilometer voor de finish waarna hij zich vanuit geslagen positie toch weer naar voren knokte en de zege voor zich opeiste.

Een paar dagen later werd hij amateur en versterkte hij inderdaad de gelederen van de Amstel-ploeg.

Tot slot nog een anekdote:
Jos vertelt: “Terug naar mijn tijd als junior in 1976. Na lange trainingen kwam het wel eens voor, dat je volkomen uitgepierd nog de laatste zeven kilometer met tegenwind maar thuis moest zien te komen. De weg van Nijverdal naar Wierden met een smal hobbelig fietspad was geen uitnodigende weg. Bij het begin van het fietspad ik Nijverdal kon ik de verleiding niet weerstaan om achter de TET-bus op de grote weg te stayeren. Al doende kwam ik er al snel achter dat de 52-15 die je als zwaarste versnelling bij de junioren mocht rijden, niet toereikend was om de bus bij te houden. Daar was met een ander achterwiel snel een oplossing voor gevonden en ik nam me vast voor om die uitdaging een keer aan te gaan. Dat verliep eerst nogal moeizaam, de chauffeur is blijkbaar niet gecharmeerd dat jij erachter duikt. Het moest dus een beetje sneeky. Het juiste moment afwachten dus. Bij het begin van het fietspad, bij Toyota Konijnenbeld was ook de opstapplaats van de bus. Net na de stoplichten en dan snel even oversteken van fietspad naar grote weg en zo lukte het om tot Wierden te volgen. Niet fijn, geen enkel zicht, een verschrikkelijke diesellucht en dan zeiknat van het zweet thuiskomen. Maar ja, ik had het me tot doel gesteld, dus moest het gebeuren ook. Bovendien was het niet zo’n veilige weg, dikke eikebomen, dicht op elkaar aan beide kanten en daarnaast een fietspadje, links en rechts. Halverwege was een parkeerplaats van klinkers die van de weg tot aan fietspad doorliep. Dat leek mij een mooie tussenoplossing, eerst even lekker op tempo tot 90 km/u en op die parkeerplaats dan oversteken van grote weg naar het fietspad. Dat lukte, maar het is wel spannend om met die snelheid daar tussendoor te denderen. Je kunt niet even met het hoofd naast de bus kijken om de juiste afslag te bepalen. Vervolgens dan lekker uitfietsen naar huis. Tot die bewuste dag! Het was me weer gelukt om ongezien te volgen, de juiste ‘afslag’ te pakken en nog maar net uitwaaiend op het fietspad zie ik middenachter onder de bus een groot stuk piepschuim opwaaien. Dat blok werd door een tegenligger uit elkaar gereden en auto’s aan mijn kant reden daar weer overheen, een regen van piepschuim. Wat ongelooflijk veel geluk! Moet er niet aan denken wat er had kunnen gebeuren als ik achter die bus was blijven rijden. Ik was genezen. Nooit meer achter de TET-bus. Geluk is met de dommen :)”

Foto boven: 1976, Jos wint een koers in Haaksbergen
Foto midden: de huldiging van de Dorpenomloop in Rucphen. 


1974. Jos winnaar in Oploo


De finish van de Dorpenomloop, het is close!


1975. Jos zegeviert in Loosbroek


1975. Huldiging van de eerste drie in Loosbroek


1975. Jos is kampioen van Overijssel, midden de nummer 2 Jos Brummelaar, rechts de bronzen medaillewinnaar Gerrit Vixebokxe.


1975. Jos winnaar te Kortenhoef.

DE BEUL EN BRAM RIP

Het was een bijzondere dag, gisteren. Het was de tiende sterfdag van mijn maat van weleer Willem Neeskens alias de Beul van Borne. Eddy van der Ley en ik bezochten in de ochtend Jeanette, de aimabele echtgenote van de Beul en haalden fijne herinneringen op.

In de vooravond liep ik in Wierden langs de gesloten kist met daarin het lichaam van Bram van der Weide, een andere maat van vroeger. Naast de kist stonden ezels met daarop een foto van hem met een microfoon in zijn hand en een gouden plaat die hij ooit won als beste DJ van Nederland.
Wim en Bram. Twee paradijsvogels, twee mannen met een gevarieerd leven, twee eigenzinnige levensgenieters met een grote dosis bravoure. Beiden waren ze parttime in de journalistiek actief. Willem vooral als verslaggever van wieler- en judowedstrijden, maar hij bezocht ook de eredivisieclubs in de regio en had altijd een paar antennes uitstaan voor nieuws uit de economische wereld.
Bram als razende reporter van motorwedstrijden voor Radio Oost. Als hij declareerde aan het eind van de maand, had hij een dikke stapel formulieren bij zich. Dan hield hij ze omhoog en blufte: ‘Hier is ie weer, dames en heren, de declaratiekoning van Radio Oost.’ Bleek op een dag dat driekwart van de formulieren leeg was.
Willem was stratenmaker, was jarenlang wielrenner, was een kordaat adviseur van ondernemer Gerard Sanderink en werkzaam in de journalistiek. Bram was disc-jockey in de Herberg te Hengelo, was ambtenaar van sportzaken in de gemeente Wierden, had een blauwe maandag bij de HVV Hengelo in de stad waar hij opgroeide in het eerste elftal gespeeld, was jarenlang directeur van het Internationale Kerstcircus in Enschede en was voorzitter van de roemruchte zaalvoetbalclub FC Circus. Eén herinnering: teamgenoot Benno Assink riep altijd als Bram het veld op kwam. “Kan iemand even de achterdeur open doen voor Van der Weide. Dan kan hij zo door naar buiten als hij niet meer af kan remmen.” (De voetballer Bram was vooral erg snel).
Ik zou – en zeker als ik een aantal collega’s en andere kennissen van hen optrommel – een dagprogramma kunnen vullen met anekdotes over de Beul en Bram. Boeken vol.
(Zwartwit foto: staande vierde vanaf links Bram, foto boven ex-circusdirecteur Bram vd Weide)

47 | LAMMERTINK vs MOSER

Door de jaren heen is de naam van Jos hecht verbonden geweest met de Ronde van Wierden, in zijn woonplaats. In het begin van deze eeuw droeg de koers zelfs zijn naam: de Grote Prijs Jos Lammertink. Jos kijkt er met wisselend gemoed op terug. Hoewel de wedstrijd in het dorp altijd duizenden toeschouwers trok, zeker als er een plaatsgenoot meedeed, was de koers voor Jos niet altijd even aangenaam.

Laten we bij het begin beginnen.
In de jaren 1977, ’78 en ’79 was Jos amateur en hoorde van meet af aan bij de nationale top. Hij won overal in de den lande, dat criterium in Wierden wilde hij coûte que coûte winnen. In 1977 won Jos. Guus Bierings werd tweede en Hennie Stamsnijder derde. Verdere uitslag: 4. Snoeijink, 5. Kruunenberg, 6. Albersen, 7. H. Boom, 8. Ponsteen, 9. Tigelaar, 10. Bessems. Jos’ broer Herman werd vijfde bij de junioren.

In ’78 verziekte Herman Snoeijink de aspiraties van Jos, zoals we al eerder beschreven hebben. Jan Spijker won dat jaar de koers voor Arie Hassink en Stamsnijder. Herman Lammertink werd achtste.
In 1979 was de Wierdense koers de laatste van de internationale Zesdaagse van Twente. Jos was vanzelfsprekend gebrand op de overwinning. Hij kwam in een kopgroep terecht van zeven renners, die een ronde voorsprong nam. Jos ging er vervolgens nog een keer vandoor. Van het zevental kon alleen Hennie Stamsnijder, op dat moment Nederlands kampioen, hem volgen. Jos won de sprint, Hennie werd tweede. Verdere uitslag: 3. Huisjes, 4. Alberts, 5. Arie Hassink, 6. Akkerman, 7. Hans Boom, 8. Herman Lammertink, 9. Snoeijink, 10. Albersen.
Hassink eindigde als eerste in het algemeen klassement van de Zesdaagse met Jos als tweede en Peter Zijerveld als derde. Jos won wel het puntenklassement. Het was al met al een schitterende serie koersen destijds. De krantenknipsels staan vol enthousiaste verhalen.

In 1980 werd Jos beroepsrenner. In 1981 startte ‘Wierden’ een profkoers op een doordeweekse dag tijdens de Wiezo, de plaatselijke zomerfeesten. Een jaar later zorgde het comité waarvan onder andere de oud-renners Wim Albersen en Harrie Middeljans deel uit maakten, voor een stunt door de beroemde Italiaan Francesco Moser te contracteren. Jos herinnert zich dat het een samenspel was met de Ronde van Steenwijk, waar de vedette de dag na Wierden zou rijden. “Dat maakte het interessant voor hun en voor Wierden. Het comité moest er 7000 gulden voor neertellen, maar had daardoor wel een oud-wereldkampioen en oud-winnaar van diverse klassiekers aan de start.”
Jos doet glimlachend verslag, bijna 42 jaar na dato. “Er was heel veel publiek. Er waren geen onderlinge afspraken over wie zou moeten winnen. Ik dacht: Moser zal voor de koers of onderweg wel bij me komen om iets af te spreken. Maar hij kwam niet. Op het laatst ontsnapten Stamsnijder, Moser en ik uit de grote groep. Hij zei nog steeds niks. Hennie vroeg: ‘Wat gaan we doen’. ‘Laten we om beurten demarreren’, zei ik. Even later ging Stammie er vandoor. Moser zet em op de twaalf, dampte erheen en vloog erlangs. Ik zat in zijn wiel en zo gingen we met z’n tweeën de laatste ronde in. De sfeer was geweldig, het publiek werd helemaal gek. Bij de katholieke kerk sprintten we zij aan zij, dat weet ik nog. We moesten toen nog 150 meter. Ik ging erlangs en won de koers.”
Het duurde niet lang of de vragen kwamen op de winnaar af. “Wat heeft je dat gekost, Jos. Wat moest je voor die overwinning betalen, Jos? Natuurlijk werd er wel eens een koers ge- of verkocht en werd daar in de wandelgangen naar gegist. Dan hield je je van den domme, maar nu was het echt ‘rechtuit’ gegaan en was de ontkenning wel terecht. Een dikke maand geleden had ik het er nog met Harrie Middeljans, de microfonist van destijds, over. Maar ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat ik er echt keihard voor heb moeten sprinten.”

Jos vertelt dat hij Moser een jaar later toen hij in dienst van een ViVi-Benotto reed, regelmatig tegenkwam. “Maar hij heeft er nooit meer met mij over gesproken. Wat zal hem dat ook bommen. Dat hij ergens in Nederland in een plaats met de naam Wierden achter een plaatselijke renner tweede is geworden. Waarschijnlijk dacht hij er te gemakkelijk over, dacht hij dat hij mij wel kon verslaan en liep hem dat nu net even mis.”

Twintig jaar geleden wilde Wierden andermaal aan de weg timmeren met een wielerkoers van niveau. Vader en zoon Weghorst van het gelijknamige makelaarskantoor zouden de benodigde pecunia regelen en zeiden tegen Jos, Harrie Middeljans en Wim Albersen: ‘Jullie weten wat er allemaal bij komt kijken. Zetten jullie het maar in gang, wij zorgen voor het geld’. Jos weet nog dat het idee voor een Wierdense profkoers ontstaan is bij de Profronde van Almelo. “Dat gebeurde onder het genot van een biertje. Dat zouden we in Wierden ook eens moeten doen. We hebben er toen over vergaderd en zo hebben we een dernykoers kunnen houden. We hebben het drie jaar gedaan. Toen de economische crisis ontstond, trokken verschillende sponsors zich terug.”
Het rennersveld was op niveau, zegt Jos. We reden niet zoals ze nu doen met zeventig procent amateurs, maar met allemaal fullprofs. “Het werd elk jaar beter. Zabel kwam bij ons, McEwen, Tankink en andere renners uit de betere profploegen. Ze reden twee manches. We hadden twaalf renners nodig. Zou je een heel veld aan de start willen hebben, dan zou dat te duur worden. Op enig moment wilden we Tom Boonen. Maar hij vroeg 40.000 euro… Daar hoefde hij maar één uur voor fietsen en oh ja, dan kwam hij wel met de Lamborghini. Ook hadden we dernywedstrijden voor ex-profs, zodat we de sponsors en gasten een avondvullend programma konden bieden. Zoetemelk kwam ervoor uit Frankrijk, Planckaert uit België en ook Jan Janssen en Rini Wagtmans gaven acte de présence.”

Tussen de wedstrijdonderdelen door hoorde Jos dat zijn medeorganisatoren als verrassing de Wierdense dernykoers hadden omgedoopt in GP Jos Lammertink. “Zonder te overleggen! Ik was er niet echt blij mee en dat heb ik ook laten merken. Het was een weinig zeggende wedstrijd en om dat nou Grote Prijs te noemen. Ik werd overdonderd, mijn gezondheid was al behoorlijk minder aan het worden en als naamgever zou dat nog meer verplichtingen gaan scheppen. Terwijl ik toen al niet eens mijn armen kon optillen om de winnaar te feliciteren of een bokaal aan te reiken. Het was net of burgervader Bernard Kobes mijn ‘fysieke onmacht’ begreep, zonder enig overleg nam hij mij gelukkig al die plichtplegingen uit handen. De Vip-tent was voor sponsors en genodigden, maar mijn eigen supporters van vroeger en mijn broers en zussen mochten daar niet in. Dat voelde niet prettig voor mij. Uiteindelijk was het financieel niet meer te behappen, sponsors verscholen zich achter de recessie, maar dat vond ik zelf geen ramp”, aldus Jos.

Zo stierf het evenement een stille dood en wordt in Wierden intussen al jaren geen wielerkoers meer gehouden.
“Achteraf gezien ben ik die naamswijziging in GP Jos Lammertink toch wel gaan waarderen. Ontelbare malen ben ik er met waardering of respect op aangesproken en onlangs kreeg ik van een nieuw opgericht wielercomité in Wierden de vraag of ze mijn naam mogen gebruiken voor een nieuwe ronde in Wierden die op 25 mei aanstaande op de agenda staat. Natuurlijk mag dat. Geen probleem.”
(foto boven. De huldiging vlnr Moser, Lammertink, Stamsnijder)

46 | AAN DE SLAG IN DE SLAG

Het was de Ronde van Borne. Of Neede, Hengevelde of Vriezenveen. Noem maar op. Driehonderd meter voor het peloton uit meende een dappere, solerende amateur kans te hebben op de zege. Een aantal geoefende kijkers wist echter al dat hij kansloos was. Ging je eind jaren zeventig naar een van de vele koersen in de regio dan wist je met een zekerheid van 99,9 procent dat Herman Snoeijink, Gerrit Möhlmann, Jos Lammertink of Arie Hassink als eerste over de meet zouden gaan. Ze zaten namelijk met elkaar in de slag, zoals dat heette en ten huidigen dag nog zo heet. Drie Amstel-coureurs en een Ketting-man (Snoeijink) hadden een verbond gesloten met als ultieme doel dat ze in elke koers zoveel mogelijk prijzengeld bij elkaar zouden fietsen, wat dan na afloop onder de vier of drie (als een van hen ontbrak) verdeeld werd. Of dat leuk was voor de kijkers die deze kongsi in de smiezen hadden? Dat laat zich raden. In zekere zin niet. Voor wie het zeker niet prettig was, dat was voor de renner die zijn zinnen had gezet op de overwinning, maar niet tot het aaneengesmede kwartet behoorde. Hij was kansloos tegen deze sterke, gelouterde mannen.

Jos sloeg de krantenknipsels van weleer er nog eens op na. Hij zegt: “Ondanks dat Herman en ik relatief dicht bij elkaar woonden, reden we bijzonder weinig in dezelfde koersen. Ik reed hoofdzakelijk in Noord-Brabant en Herman meer op de Veluwe en in het hoge noorden. Na mijn overgang in 1977 naar de amateurs was het in de criteriums ieder voor zich. We reden als Amstel-ploeggenoten elkaar niet in de wielen, maar ik weet nog dat ik er erg op gefixeerd was om Gerrit Möhlmann die in die tijd de heerser was in de massasprints, eens in een rechtstreeks duel te kloppen. Die kans kreeg ik voor het eerst in de Ronde van Oldenzaal waar Gerrit ook aan de start was. Ik had het niet met zoveel woorden tegen Gerrit gezegd, maar hij voelde volgens mij wel zoiets aankomen. En hij was er van onder de indruk dat hij door dat jonge broekie geklopt werd.” Herman reed in die koers ook mee en ondanks dat hij in den lande de overwinningen aan elkaar reeg, zat hij niet bij de eerste tien. Jos ontdekte nog twee regionale criteriums waar Herman en hij samen aan de start stonden, in Wierden en Glanerbrug. “Die kon ik op de palmares bijschrijven. In Hermans Ronde van Denekamp stond ik niet aan de start. 1978 begon op soortgelijke manier in de Ronde van Almelo. Op het scherpst van de snede werd er gestreden en met twee Amstel-renners in de kopgroep was het gewoon logisch dat een van ons beiden dat zou winnen, zonder vooraf gemaakte afspraken.”

Uitslag 1. Jos Lammertink, 2. Herman Snoeijink, 3. Wim Albersen, 4. Arie Hassink.

En toen kwam de Ronde van Wierden op 22 juli 1978. In Jos’ eigen woonplaats dus. Veel familie aan de kant, veel supporters ook en eveneens enkele duizenden wielerliefhebbers uit de regio. Wat gebeurde daar? Jos vertelt: “Herman Snoeijink bleef de hele koers aan mijn wiel. Als ik demarreerde nam hij niet over, als ik me tweehonderd meter liet afzakken, liet hij zich ook afzakken. Waarom? Hij wilde dat ik niet won, andere redenen kan ik niet bedenken. Het was een super irritante situatie. Ik was zo chagrijnig dat ik me toen een ronde in heb laten lopen en uiteraard werden we toen uit de koers gehaald. Het was een gênante vertoning.” Jos had zijn zinnen gezet op de zege, Jan Spijker nam de bloemen mee naar huis. Arie Hassink werd tweede, Hennie Stamsnijder volgde op enkele meters.
Na afloop togen de mannen naar café De Marke van Jan Brouwer. Herman Snoeijink nam daar het initiatief om de koppen bij elkaar te steken en stelde voor het voortaan anders te doen. Jos: “Hij was een gepokte en gemazelde amateur, won vaak koersen die ik niet reed en als we elkaar wel tegenkwamen, werd het een heftige strijd. We maakten de afspraak dat we elkaar niet meer zouden beconcurreren en dat we de buit na afloop zouden verdelen. De wedstrijden bleven hetzelfde, het publiek bleef komen, alleen wij spraken af wie waar zou winnen. Had je bijvoorbeeld de Zesdaagse van Twente, dan hoefde je niet voortdurend scherp te zijn. Als er maar een of liefst meerdere van ons viertal van voren zat. Of dat eerlijk was? Ja, dat kun je je afvragen. Niet voor de andere renners, maar die hadden sowieso geen kans. Het gaf een hoop rust, dat vond ik wel”, zegt Jos.
Hoe ging dat na de wedstrijd? Hadden de mannen een van hen als penningmeester aangewezen? “Nee. We gooiden de flappen op tafel en deelden het totaalbedrag door drie of vier, afhankelijk van wie van ons meegedaan had. Had je pech gehad en niet kunnen finishen, dan deelde je toch mee. Maar dat gebeurde niet vaak. Voor mezelf was het ideaal, want ik had destijds geen baan en wel kosten. Het was een welkome bijverdienste. Als ik alleen voor mezelf had gereden en door pech niet had kunnen meedoen om de prijzen, had ik niks gehad”, aldus Jos. Hij vertelt dat de alliantie tussen de vier toprenners uit het oosten grotendeels gold voor deze regio. “We spraken niet af om allemaal in te schrijven in een Brabantse koers, tenzij we daarvoor gevraagd werden natuurlijk. Maar ook als we met z’n drieën of als duo ergens aan de start stonden, was de werkwijze hetzelfde. Vooral met Arie hebben we ook regelmatig in Duitse wedstrijden de koers naar onze hand gezet. Wat een strijd hebben we daar gehad met Wilfried Trott en co. Soms moest je inschrijven met landenploegen. Wij vormden dan Mannschaft Holland 1. Dat gebeurde vaak met ‘gastrenners’, omdat Gerrit en Herman daar niet vaak reden. Die Duitsers konden dat altijd zo lekker gewichtig maken, Team1 mit der Holländische Meister und Gewinner der Olympia-rundfahrt . Maar ja eigenlijk was dat ook wel weer terecht want we wonnen vaker dan dat we verloren”.
Voor Jos duurde deze manier om de knip te spekken niet al te lang, want hij werd met ingang van 1980 beroepsrenner. Maar toen dat in 1990 afgelopen was, bleef hij nog een aantal jaren bij de amateurs rijden en was de slag nog steeds in zwang. De bijna veertigjarige Herman Snoeijink was er nog steeds bij en vaak ook de Amstel-renners Han Vaanhold en Jos Alberts. Zo kon Jos als pas gestopte prof ook op financieel gebied een beetje afbouwen.
(foto boven Jos Lammertink (rechts) en Gerrit Möhlmann)
De zegevierende Herman Snoeijink


22 juli 1978

45 | ECHTE SUPPORTERS

Succesvolle wielrenners zoals Jos hebben fans. Eerst in de buurt, dan in de woonplaats en de regio en daarna nationaal of zelfs internationaal. Je ziet het wekelijks aan de vele reacties op Facebook. Tussen de volgers van deze serie zitten fans van Jos, die hem destijds als jonge renner al op de voet volgden. Jos is in het bezit van een mooi stapeltje kampioenstruien. Verschillende keren kwam hij met de roodwitblauwe trui thuis. Hij heeft ze gewonnen met veldrijden, op de weg en op de baan. En evenzovele keren was het feest. Bij de nationale titel als amateur in 1978 en als prof in 1986 was het zelfs groot feest. “Normaal gebeurt er weinig in Wierden, maar toen ik Nederlands kampioen werd, was de tuin door vrienden volledig ingericht als feestlocatie met bar, biertap en statafels”, vertelt hij.

Tijdens de normale seizoenen werd Jos steevast gevolgd door supporters die vooral afkomstig waren uit zijn geboorteplaats Hoge Hexel, het naburige Wierden dat later zijn woonplaats zou worden en ook uit Neede, waar echtgenote Annette vandaan komt. “Ze reden overal heen”, herinnert Jos zich. “Ik voelde me soms een beetje bezwaard als ze helemaal voor mij naar Limburg waren gekomen. Soms namen ze een overnachting erbij om mij aan te moedigen op de Slingerberg of andere plekken waar het gebeuren moest. Wat kostte dat wel niet? Ik had er veel respect voor.

Je kunt niet altijd winnen. Ik stond niet altijd op het podium en dan voelde ik me naar hen toe een beetje schuldig.”

Supporters, fans, bewonderaars. Jos heeft ze meegemaakt. Sommigen drongen zich op. “Vooral als het crescendo ging, liepen ze bij ons de deur plat”, zegt hij. “In 1984 reed ik bij Post en waren ze er allemaal. Ze zagen me op televisie op de voorste rij meestrijden tijdens de klassiekers en waren uitzinnig toen ik Kuurne-Brussel-Kuurne won. In ’85 kreeg ik problemen met de schildklier en reed ik nergens. Fans zag ik ook niet meer. In ’86 won ik het NK en waren ze weer allemaal terug.”

Hij herinnert zich nog een fijne reactie toen in hij in het begin van deze eeuw betrokken was bij de Profronde van Wierden die op enig moment zelfs de Grote Prijs Jos Lammertink genoemd werd. “Enkele personen zegden toen een bedrag toe en hoefden daar niks voor te hebben. ‘Want”, zeiden ze, ‘we hebben vroeger enorm van jou genoten.’ Het waren sponsors die iets regelden voor ons en wij hoefden daar dan geen ruchtbaarheid aan te geven. Dat noem ik echte supporters.”

44 | NIET ZWAAR, WEL LASTIG

Hoe geraak je als profwielrenner in vorm? Trainen in de rustige winterperiode voor een goede basis. Maar het jaar is nog maar net begonnen of de eerste wedstrijden zijn er al. In de jaren 80 toen Jos Lammertink beroepswielrenner was, waren het vooral wat losse wedstrijdjes in Italië, Frankrijk en Spanje, waar de renners zich als een soort warming up van het nieuwe seizoen, los konden rijden. In het begin is het aantal kilometers nog niet hoog en zo reden ze zich langzaam maar zeker in vorm. En al gauw verschenen de eerste etappekoersen op de agenda, zoals de Ruta del Sol en de Ronde van de Middellandse Zee. Deze laatste koers heeft Jos vier keer aan de start gehad. “Mooie koers om aan een goed seizoen te werken”, vertelt Jos. “Je bereidt je voor op de voorjaarsklassiekers. Hoge bergen zitten er niet in. Je rijdt rond de Middellandse Zee. Het is niet al te zwaar, maar lastig is ie wel. Natuurlijk wordt er hard gereden. Ik kwam er in mijn eerste deelname in 1980 al meteen achter dat er scherp gekoerst werd.”

Jos reed voor de HB-ploeg en toonde meteen zijn reputatie als tijdrijder. In de proloog werd hij vierde achter Gerrie Knetemann, Jean-Luc Vandenbroucke en Jan Raas. “Vandenbroucke had ik als amateur al een paar keer geklopt. Ik bewees dat ik van hetzelfde niveau was en dat mijn overwinning als amateur in de Ster van Bessèges in ‘78 geen toevalstreffer was.”
In 1980 was er ook nog een tijdrit op de Mont Faron. Jos: “Dat zou niet mijn cup of tea zijn. Maar ik werd niet uit het klassement gereden en werd zesde in de eindstand  op een dikke minuut van winnaar Knetemann.” Als broekie finishte hij tussen vijf renners van de TI Raleigh ploeg bij de eerste tien. Niet gek.
In 1984 werd Jos vierde in de proloog met Knetemann als winnaar. In 1987 eindigde Jos twee keer bij de eerste vijf en in ’88 won hij namens TVM de eerste etappe in de Ronde van de Middellandse Zee. Hij klopte zijn voormalige ploegmaat Eddy Planckaert in de sprint en veroverde hij daarmee de leiderstrui. Hij verliet echter de koers vanwege de ziekenhuisopname van zijn vrouw Annette, waarover we in deze serie al eerder schreven.

Jos  startte in het voorjaar ook een paar keer in Parijs-Nice. “Dat is een koers met meer aanzien”, vertelt hij. “Hij levert voor de ranking meer punten op en is vooral van belang voor de renners die zich voorbereiden op Luik-Bastenaken-Lui en de Waalse Pijl.”
In 1980 startte de HB-formatie in Parijs voor de zogenaamde Rit naar de Zon. Op weg naar de Mont Ventoux sneeuwde het. Stamsnijder, Thaler en Jos hadden na de lange afdaling over de spekgladde weg een enorme voorsprong, maar hadden de pech dat de koers geneutraliseerd werd. Het veld lag te ver uit elkaar, vond de jury. De organisatie achtte doorrijden onverantwoord en stopte de koers. Pech voor Jos die grote kans maakte op de etappezege. Parijs-Nice werd dat jaar gewonnen door Gilbert Duclos-Lasalle. Jos werd 21ste, maar was niet de beste Nederlander. Dat was Knetemann die derde werd. Hennie Kuiper eindigde als dertiende, Hennie Stamsnijder als veertigste.
In 1984 was hij als lid van de Panasonic-ploeg van de partij. “Ik reed voor de broers Walter en Eddy Planckaert. We wonnen de ploegentijdrit. Bert Oosterbosch was er als supertijdrijder ook bij. Hij had de proloog ook al gewonnen voor Jean-Luc Vandenbroucke, Alain Bondue en Bernard Hinault. De Kneet werd vijfde, Jos zevende en Vanderaerden elfde. De ploeg van Peter Post was ook succesvol in de eerste etappe naar ChalonsurSaône. Eddy Planckaert won. Vanderaerden werd tweede en Jos die de sprint aangetrokken had, finishte zelf als vierde. Na de ploegentijdrit mocht Jos de leiderstrui aantrekken. Oosterbosch was de dag ervoor op grote afstand binnengekomen. In de derde etappe wist hij de trui te behouden, maar daarna namen anderen de leiding over. “Ik kijk daar heel goed op terug. Het was wel Parijs-Nice, een koers met aanzien”, zegt Jos, “en als je dan na je carrière de dozen met krantenknipsels en foto’s nog eens bekijkt, besef je pas dat Monsieur Chrono Jacques Anquetil me in de leiderstrui heeft gehesen, ga je het nog meer waarderen”. Parijs-Nice werd dat jaar gewonnen door Sean Kelly voor Stephen Roche en Hinault. Steven Rooks was op de negende plek de beste Nederlander. Henk Lubberding werd dertiende. Jos eindigde als 37ste.

In 1985 waren Kelly en Roche weer de beste twee in Parijs-Nice. Jos eindigde als 52ste. Hij was wel deelnemer èn Panasonic won wel de ploegentijdrit maar ditmaal was zijn bijdrage minimaal. In de week na Parijs-Nice kwam de reden van het mindere presteren aan het licht en kon hij door de eerder beschreven schildklierproblemen dat jaar niet meer meedoen aan wedstrijden.
Daarna reed Jos deze koers niet meer, ook al omdat TVM er niet startte.

Foto boven. Jos wordt gehuldigd als klassemenstleider in Parijs-Nice met naast hem oud-Tourwinnaar Jacques Anquetil


1980 Parijs-Nice. Barre omstandigheden.


1984 Parijs – Nice. Ploegentijdrit. Jos in tweede positie achter Henk Lubberding. 



43 | STAMSNIJDERTJE SPELEN

De nationale titelstrijd bij het veldrijden staat op de rol. Komend weekend gaan de crossers in Hoogeveen op jacht naar de roodwitblauwe trui. Mooi moment om de cross-avonturen van Jos nog eens onder de loep te nemen. Want, zoals de iets jongere Rob Kleinsman mij onlangs vertelde, in de tijd toen Jos nog volop croste, kon niemand van hem winnen. “Als hij als amateur en prof ook volop was gaan crossen, had ik het willen zien”, aldus Kleinsman. “Dan hadden Stammie en Herman Snoeijink er een enorm grote concurrent bij gehad.”

We gaan even terug naar de tienertijd van Jos. Hij was adspirant en na de nieuwe indeling was hij nieuweling en junior voor hij amateur zou worden in 1977. Hij werd één keer Nederlands kampioen bij de adspiranten, één keer bij de nieuwelingen en twee keer bij de junioren. In die fase van zijn loopbaan verloor hij slechts één keer een cross en dat was op het EK voor junioren in 1977 in het Poolse Jelenia Góra toen de Duitser Wicke er met de titel vandoor ging, omdat Jos niet in de gaten had dat hij de finish naderde. Jos: “Wicke stak de handen in de lucht. Ik dacht: waarom doet hij dat? Toen kon ik niks anders doen dan vreselijk balen. Bondscoach Cees Zoontjes had me moeten waarschuwen. Het EK was voor mij de belangrijkste wedstrijd en dan gebeurt dat. Ik heb op weg naar huis niet veel meer gezegd.”

Revanche nemen op het WK kon niet, want er bestond destijds nog geen WK voor junioren.

Het begon allemaal in de buurt van Jos’ ouderhuis in Hoge Hexel. Daar crosten Jos, broer Herman en neef Jonny erop los. “Ik heb daar speciale herinneringen aan”, vertelt Jos. “Daar speelden we Stamsnijdertje. Hennie was onze neef, een jaar of vier ouder en toen al een gerenommeerd veldrijder. Dat wilden wij ook.”

Jos’ eerste NK – in 1974 in Valkenswaard – was meteen een gouden medaille. 1. Jos Lammertink, 2. Rinie van Dijk, 3. Wim de Laat. “Mijn vader was er altijd bij, maar had die week enorm last van zijn rug. Hij kon niet mee, moest plat liggen. Dat was heel jammer. Ik herinner me dat we thuiskwamen met de roodwitteblauwe trui en een grote bos bloemen. Mijn vader lag in bed.” (zie foto boven)

In 1975 in Helvoirt werd het erepodium gekaapt door AWV De Zwaluwen uit Almelo (foto). Goud voor Jos, zilver voor broer Herman, brons voor Hans Boom. Het NK was typerend voor het hele seizoen. De Zwaluwen beheersten alle wedstrijden waaraan ze deelnamen.
Jos werd junior en ging door met winnen. Hij reed met zijn vader doordeweeks al naar Cadier en Keer waar het NK gehouden zou worden. “Daar nam hij vrij voor”, zegt Jos. “We probeerden een tandwiel uit, waarmee ik daar met de lichtste versnelling op de steilste bult naar boven kon rijden. We hadden ons optimaal voorbereid, terwijl ik toentertijd elke wedstrijd heer en meester was. Maar wat wil het geval, het regende die dag. Ik moest veel lopen en weinig fietsen. Mijn voordeel was weg.”
Althans dat leek zo. Jos had bij de finish even goed minuten voorsprong op de nummer 2 Jos van Gerwen en de nummer 3 Peter Winnen.

Een jaar verder was het NK dichter bij huis. In Berg en Dal bij Apeldoorn op 16 januari 1977 ging de titelstrijd andermaal van een leien dakje. 1. Jos, 2. Berry Zoontjes, 3. Peter Damen.

Eenmaal amateur was het gedaan met crossen. Op voorspraak van Amstel-ploegleider Herman Krott focuste Jos zich op de wegwedstrijden. De liefde voor het veldrijden bloedde dood. Maar Kleinsmans stelling dat Jos bij de amateurs en profs ook een sterke veldrijder geweest zou zijn, werd een enkele keer wel bewezen. Want soms pakte Jos in de winter een wegfiets en ging ermee het veld in. Bij een crossfiets zitten de commandeurs (versnellingshendels) aan het stuur, dan hoef je het stuur niet los te laten. Bij een wegfiets zit de versnellingen op de schuine buis. “Dat is een nadeel”, zegt Jos, “want je moet met dat gehobbel bij elke verandering van versnelling met je hand van het stuur en het is ook irritant, omdat die hendels in de weg zitten als je de fiets op de nek draagt.”
In het Oldenzaalse Hulsbeek reed de landelijke top mee. Jos kwam net terug van een 14-daagse zonvakantie in Torremolinos. “Ik zag eruit als een neger, maar aangezien ik in Oldenzaal woonde, besloot ik toch maar mee te doen. Hij schreef zich in en won daar geheel onvoorbereid de wedstrijd voor mannen als Scheffer, Stamsnijder en Snoeijink. Scheffer werd enkele weken later derde op het wereldkampioenschap”, glimlacht de oud-kampioen.

Wat leuk is: tientallen jaren later zat Jos na een veldtoertocht in Beltrum gezellig met een bokbiertje aan de bar. Gerrit Scheffer was er ook en ze spraken over het verleden. “Dat jij eigenlijk nooit gecrost hebt”, zei Gerrit. Jos herinnerde hem aan die nationale cross in het Hulsbeek. “Ik heb je daar zelfs geklopt, zei ik. En niet eens op een crossfiets, maar gewoon op mijn wegfiets”. Scheffer ontkende dat. Ik heb hem toen het verslag van die wedstrijd, dat destijds in de Twentsche Courant stond, gefaxt. Het was waar.”

Eens te meer is duidelijk dat Rob Kleinsman het gelijk aan zijn zijde had. Stel dat Jos ook als amateur en prof was blijven veldrijden…

Jos wint het NK in Helvoirt met voorsprong 


Jos en zijn clubgenoten broer Herman (links) en Hans Boom bezetten namens De Zwaluwen het erepodium in Helvoirt.

Jos snelt naar de finish van het NK in Apeldoorn (januari 1977).

 

42 | AFGEKEURD, MAAR NOOIT ZIEK

In juli 1995 liet Jos de Orthopedagogische Instelling De Marke in Rekken achter zich. Hij solliciteerde bij de Van Dam Groep en werd aangenomen. In principe was dat niet zo moeilijk. Hij kon zich gratis aanbieden voor het Rijssense installatiebedrijf. Dat vraagt om uitleg. “Ik was arbeidsongeschikt als groepsleider door de reuma en ontving daarvoor een uitkering van het UWV. Ik volgde de opleiding HBO-P&O op kosten van Rekken en mocht daar op P&O werken. Van het UWV kreeg ik de gelegenheid om vóór juli 1997 ergens definitief een passende functie te vinden. Dan kon ik de opleiding afgerond hebben. Een extra stok achter de deur dus”, vertelt Jos.

Zijn vraag of hij bij Van Dam op personeelszaken kon werken, kwam op een goed moment. Jos: “Zij hadden tweehonderd werknemers, maar geen afdeling P&O. Het aanbod om dat kosteloos voor hen op te zetten, kon doorgaan, zo zei de financieel directeur als ik daarnaast ook Arbo-coördinator ging worden en oh ja, de salarisverwerking hoorde eigenlijk ook bij P&O. Ik ging akkoord en kon de uitdaging aangaan.”
Van Dam had veel werk dus was het zaak om te zorgen capabele mensen binnen te halen. Jos vervoegde zich bij middelbare scholen om zich te presenteren, om stagiaires werven van Apeldoorn, Zwolle tot Enschede. Op open dagen stond hij met een stand het installatie-vak te promoten. Hij gaf voorlichting aan ouders. Lange dagen, tien uur was eerder regel dan uitzondering. Daarnaast ging hij één dag naar school in Enschede en ’s avonds en in het weekend moest hij aan de studie.

Jos vertelt dat het na anderhalf jaar bij Van Dam de hoogste tijd werd om het over de toekomst te hebben. “We hadden wel gesproken over de gratis opstart, maar niet over een eventueel vervolg. Want ze konden in feite volstaan om mij na twee jaar te bedanken voor de bewezen diensten en gewoon afscheid te nemen. Ik had inmiddels wel een alternatief, maar ik had het toch ook wel naar mijn zin bij Van Dam. Leuke collega’s. Ik had wel iets met die bouwvakkers die het in weer en wind moesten verdienen. Ondanks dat ik nooit ziek was geweest, vond de financiële man het toch wel een risico om een reumaklant in dienst te nemen. Dat deed hij natuurlijk ook om het salaris nog wat te drukken, maar daar schopte hij mij wel even behoorlijk mee tegen de schenen. Wat dacht hij wel niet? Bovendien zou het bedrijf door het UWV de eerste vier jaar elk eventueel ziekteverzuim vergoed krijgen. Uiteindelijk kwamen we eruit en sloten een arbeidsovereenkomst met uitgestelde betaalplicht. Daardoor hadden Van Dam en ikzelf de zekerheid te blijven.”
Jos had een betaalde baan en was er blij mee.
Het bedrijf groeide gestaag. Tientallen werknemers per jaar erbij, veel jeugd. In 2000 waren er 375 werknemers in dienst, daarnaast regelmatig tientallen ingeleende werknemers en uitzendkrachten. Er werd ook een bedrijf in Duitsland gestart. De afdeling P&O kreeg zowaar het groene licht om het personeel op die afdeling te verdubbelen. Naast het bestaande gebouw aan de Fahrenheitstraat werd een drie verdiepingen tellend kantoorgebouw.

Jos’ naamsbekendheid had zo zijn voordelen. ‘Weet je wel dat ik nog een achter- achter- achterneef van jou ben? Hier heb je mijn rechtstreekse- en mobiele nummer’. Of: ‘Vroeger ging ik altijd naar die profkoersen kijken, daar reed ook een Lammertink mee’. “Ja dat ben ik toevallig bla bla. Deuren die anders voor je gesloten bleven, gingen open. Een half uur in de wacht of vijf keer doorverbinden, was er niet meer bij. Gepast misbruik maken heet zoiets.”
De reuma stond ondertussen niet stil en veroorzaakte meer pijn en ongemak. Jos somt op: “Elke morgen om 06.00 uur eruit, lang onder de douche om de pijnlijke gewrichten op te warmen. De ontstekingsremmers, pijnstillers en maagzuurtabletten waren al standaard en daarnaast kwam er in de loop der jaren heftige medicatie bij. Een paar voorbeelden. De reumatoloog schrijft pillen voor en je krijgt er een verwijzing voor de oogarts bij mee, omdat als bijwerking het netvlies van de ogen los kan laten. Jarenlang aan de prednison, gewone kuren, stootkuren prednison, afgewisseld door maandenlang zogenaamde onderhoudsdoses. Een opgeblazen hoofd en ruim twintig kilo gewichtstoename tot gevolg die je er nooit meer af kunt krijgen. Het heftigste was de jarenlange chemo als medicijn voor de reuma. De theorie hierachter: je geeft iemand een bepaalde dosis vergif (mtx) waardoor je immuunsysteem dusdanig in de war raakt en dan stopt om jezelf ten gronde te richten. Het heeft maar enkele bijwerkingen zoals misselijkheid, braken, verminderde eetlust, diarree, ‘grieperig’ gevoel, zoals spierpijnklachten, hoofdpijn, slaperigheid, ontsteking van het mondslijmvlies, huiduitslag en jeuk. De lever, nieren en longen moeten daarom zeer regelmatig gecontroleerd worden. Een injectie ’s avonds voor het slapen gaan en de volgende ochtend kotsend voor de WC is gangbaar, maar het gaat wennen. Ook ben je na enkele maanden niet meer de hele week misselijk. Je krijgt voor drie maanden injecties mee die je 1 x per week moet injecteren. Even voor het idee wat voor een troep het is, in 2016 werd bekend dat in een periode van tien jaar dertien personen overleden zijn aan de gevolgen van het gebruik van dat medicijn. In alle dertien gevallen ontstaan door verwisseling van de frequentie, eenmaal per dag in plaats van eenmaal per week. Na een weekje ging je dan de pijp uit.”

Het motorrijden moest Jos tot zijn spijt ook vaarwel zeggen. Een crossmotor aantrappen lukte hem niet meer bij en enige spierkracht is ook wel handig bij een wegmotor. In de weekends werd er nog wel gefietst, maar dat begon steeds meer een strijd te worden. “Als ik met vrienden op pad ging, werd ik als eerste gelost. Ik kon niet meer gaan staan op de pedalen en het minste of geringste hoogteverschil voelde aan als een col van eerste categorie. In de jaarlijkse relatietocht van Jan Bakker reed ik naast Rob Kleinsman van Rijssen naar Markelo. Op de eerste glooiingen van het fietspad moest ik weer maximaal gaan, terwijl iedereen gezellig met elkaar aan het keuvelen was. Ik informeerde naar Robs hartslag, die was 95 bpm, terwijl ik 180 had. Verderop in die tocht ben ik volledig kapot bij Bert Boom in de bezemwagen gestapt.”
Op het werk in Rijssen werden de verschillende verdiepingen met de trap bedwongen. Dat ging eerst vlotjes, lekker op de power met twee à drie treden tegelijk maar kostte me geleidelijk steeds meer moeite. De oorzaak leek hem aanvankelijk een gebrek aan conditie. Geen tijd meer om te trainen, dan zal dit wel het gevolg zijn. “Op een gegeven moment kreeg ik steeds vroeger ’s middags het gevoel een ‘hongerklop’ te hebben. Even naar de snoepautomaat in de kantine voor een stuk Mars of Nuts bleek dan ook geen oplossing. Thuisgekomen viel ik op de bank in slaap. Annette zei opbeurend ‘nu zit je op kantoor de hele dag alleen maar een beetje aan een potlood te likken en dan val je hier nog op de bank in slaap ook’. Onverklaarbaar.”

De kracht in zijn armen was ook al jarenlang afgenomen, de spierballen minimaliseerden. Een multomap optillen was er niet meer bij. Een kopje koffie optillen, gewoon zwaaien of de hand opsteken in het verkeer evenmin. Zijn vingers gingen steeds krommer staan. Irritant met al die sollicitatiegesprekken, een fatsoenlijke hand geven was er niet bij. De reumatoloog vermoedde dat zijn pezen aangetast waren door de reuma, dat kwam wel vaker voor. En omdat de vingers nog wel enigszins gebogen konden worden, zou een operatie uitkomst kunnen bieden. Bij nader onderzoek bleken de pezen intact en werd hij door een neuroloog doorverwezen naar Nijmegen.

Na onderzoek in Nijmegen in 2003 bleek het een spierziekte te zijn. Jos: “Als de diagnose gesteld wordt, heb je het vaak al vijf jaar. Het eerst merk je dat met traplopen en fietsen, vertelde men mij.” Het was de spierziekte die hem anno 2024 nog altijd, maar veel ernstiger, kwelt. Het UWV kwam ook weer in beeld. Hij richtte thuis een kantoor in, zodat hij niet meer zo vaak naar Rijssen hoefde te reizen en de bedrijfsarts schreef hem in een afbouwschema eerst drie halve dagen rust voor. “Die ziekmeldingen deed ik zelf bij de Arbodienst maar ik werkte thuis gewoon door”, vertelt Jos. “Janine, een collega van mij, had dat wel in de gaten en toen het de spuigaten uit begon te lopen, waarschuwde zij op een gegeven moment de bedrijfsarts. ‘Ga maar eens thuis bij hem kijken wat hij doet als hij rust moet houden’, luidde Janines advies. Willen is kunnen. Ik ging gewoon door net als tijdens mijn loopbaan als beroepswielrenner en in Rekken.”

Tegenwoordig is hij nog steeds in dienst bij Van Dam en werkt vanuit huis met hulpmiddelen zoals spraakherkenning en oogbesturing. “Ik doe onder andere de salarisverwerking en wat daar zoal bij komt kijken en de mutaties richting pensioenfonds. Dat gebeurt in samenspraak met de UWV. Ik ben in 2010 volledig afgekeurd, maar mag nog wel een paar uurtjes per week werken. Sommigen verklaren mij voor gek, maar ik doe het, omdat ik me nog nuttig kan maken. Als ik ’s morgens de krant uit heb, lees je die niet voor de tweede keer en dan is een dag lang in op die vierkante meter in de hoek van de kamer. Ook ben ik blij dat van Dam mij de gelegenheid biedt, zo heb nog iets omhanden. Het gaat niet zo snel, maar ik heb tijd genoeg. In deze verstelbare stoel kan ik de armen nog bij het toetsenbord krijgen. Zo wil ik hier per se mijn pensioen halen in 2025. Willen is kunnen. Tien jaar geleden zei men al dat het een ongeloofwaardig doel was van mij, maar ik wil me niet ziek melden. Dat heb ik nooit gedaan.”

Foto bovenaan: Jos en Annette arriveren in oktober 2022 bij het Rijssense Brodshuis voor de viering van het 25-jarige dienstverband van Jos bij de Van Dam Groep.
Foto midden: Van Dam bestaat 75 jaar. Jos poseert.

Directeur Gerrit van Dam reikt Annette een ruiker aan tgv het zilveren jubileum van Jos. Links Gerrit van Dam sr.

 

 

Alle jubilarissen poseren

© Copyright - Gijs Eijsink Tekstenetcetera