9 | STIEKEM OP DE BROMMER

De meeste wielrenners hebben broers en zussen, zeker zij die van katholieke komaf zijn. Hennie Kuiper komt uit een gezin van twaalf kinderen, de legendarische coureurs Wim en Piet van Est hadden veertien broers en zussen. Henk en Truus Lammertink uit Hoge Hexel kregen zes kinderen, drie zonen en drie dochters. In de vorige eeuw was een gezin met zes kinderen heel normaal. Tien, twaalf of veertien kwam ook vrij regelmatig voor. Of zestien zoals bij de Van Esten. De moeder van Herman Snoeijink kwam uit een gezin van twintig kinderen, allemaal eenlingen en allemaal van dezelfde vader en moeder. Kom daar tegenwoordig nog eens om. Drie is veel. Eén of twee komt eerst.

Van de zes Lammertinks was Jos de oudste. Hij trouwde met Annette. Maar daar komen we later nog op terug. Ze kregen een zoon en een dochter.
Een jaar later (in ’59) werd Herman geboren die later ook wielrenner werd. Misschien had hij meer talent dan Jos. Althans dat is wel eens geopperd. Maar Herman had wat meer problemen met de motivatie. “Hij vond het nog wel een keer goed”, vertelt Jos. “Herman kreeg al op jonge leeftijd verkering met Ina Kaal uit Almelo. Mijn vader wilde hem graag pushen. Achter mij aan. Maar dat lukte niet. Hij had ook andere interesses. Bij veldritten stond hij bij de nieuwelingen en junioren vaak op het podium en ik herinner me ook nog dat hij in juniorenklassieker de Flevo Tour won. Ik mocht bij toeval mee in de neutrale materiaalauto achter hem en riep met nog anderhalve kilometer te gaan: Erop en erover! Zo geschiedde. Dat was fraai.”

Herman is amateur geworden, werd ingelijfd in een Limburgse ploeg, maar stopte toen hij 20 jaar was. Hij heeft bijna zijn hele werkzame leven als spuiter gewerkt bij Thales. Hij en Ina wonen in Wierden en kregen twee kinderen. Hun zoon Roy was ook wielrenner en werd in de jeugdcategorieën regelmatig nationaal kampioen veldrijden.

Zus Gea (van 1961) trouwde met oud-Amstel-renner Nico Hilberink. Ze zijn alweer jaren gescheiden. Ze kregen twee zoons. Gea woont in Wierden en werkt op de administratie van Nijhof-Wassink en woont samen met Rob.
Trudy (1963) werkt in de zorg en woont eveneens in Wierden. Ze is getrouwd met Alfons Woolderink, gemeenteraadslid van de lokale partij NEW. Ze hebben twee dochters. Aukje is Jos’ petekind.

Laurens was de nummer 5 in de rij. Hij werd schilder en trouwde met Rimke, maar ze zijn intussen gescheiden. Ze hebben twee kinderen, zoon Wout is ook al petekind van Jos. Laurens heeft in Sylvia een nieuwe partner gevonden.
Ook Laurens (’67) heeft een blauwe maandag gewielrend, maar het werd geen succes. Wel heeft Laurens een grote rol gespeeld in de carrière van Jos. “Hij heeft me altijd op en top gestimuleerd. Mijn vader leerde ons allemaal autorijden. Toen we 14 jaar waren, reden we al rond. Toen ik prof werd, ging Laurens vaak mee en dan reed hij gewoon. Veertien, vijftien jaar. Wielrennen had zijn interesse”, vertelt Jos. “Hij was al jong geïnteresseerd en ging graag mee naar de koers. Toen wij nog koersten in de jeugdcategorieën, moesten mijn zussen ook mee, of ze wilden of niet. Want pa en ma konden hen niet alleen thuis laten.”

De jongste van het sextet luistert naar de naam Leontien (1969). Ze is getrouwd geweest met Bart Vedders uit Goor. Ze hebben geen kinderen. “Bart heeft veel gefietst, is door ons besmet geraakt.”
Leontien werkte als productieplanner. Ze leerde in 2002 op het carnaval in Oldenzaal de Amerikaan Michael kennen. Jos: “Ze kochten een zeilboot om de wereld rond te varen, maar ze weten, naar eigen zeggen, niet hoever ze komen. Ze zitten momenteel in Gibraltar. Een huis hebben ze niet meer. Ze leven voortaan op de boot.”

Jos karakteriseert zijn ouders als hardwerkende mensen. “Ze hebben best wel een goed leven gehad. Moeder had een brommer om boodschappen te kunnen doen in Wierden. Op zaterdag ging pa voor de zwaardere spullen mee met de auto. Dat was dan meteen een mooi moment voor ons om stiekem met de brommer rond te scheuren. Dat is een keer goed misgegaan na een frontale botsing bleek de brommer een stuk korter, het voorwiel zat naast de trapper. Gelukkig konden we dit met behulp van een tractor weer wat in het fatsoen trekken. Moeder merkte het nauwelijks. Die brommer was trouwens ook belangrijk voor mijn carrière, want we hebben veel erachter getraind met mijn vader als stuurman. Hij was handig, zo fabriceerde hij zelf voor ons een hometrainer.”

Jos’ moeder Truus is al in 1992 gestorven. Ze is slechts 57 jaar geworden. “Ma had last van galstenen die ze in het ziekenhuis eenvoudig zouden kunnen vergruizen. Maar dat mislukte waarna ze toch geopereerd moest worden. Bij die operatie ontstonden heftige complicaties en anderhalve week later overleed ze.”
Vader Henk bleef alleen achter in Hoge Hexel. “Hij genoot er volop”, zegt Jos, “maar het werd hem langzaam maar zeker te groot met de grote tuin en de vogels die hij hield. Hij verkocht het en verhuisde naar Wierden. Hij leerde er een vrouw kennen, waarmee hij samen op vakantie ging, iets wat vroeger nooit gebeurde. Jammer genoeg kreeg hij leukemie. Hij overleed in 2007 op 78-jarige leeftijd.”

Foto boven. Vlnr staand: Herman, Trudy, Truus, Henk, Gea en Jos. Zittend:  Leontien en Laurens.


Moeder Truus op de brommer met Leontien

8 | HET EERSTE PROFCONTRACT VAN LAMPEKAP

Dan ben je 21 jaar, ben je woonachtig bij je ouders in de buurtschap Hoge Hexel, ben je net een paar weken prof en ga je voor het eerst met je nieuwe profploeg HB-Alarmsystemen op trainingskamp. Niet in Limburg of de Ardennen, maar in een superhotel in Hyères, de stad van de duizenden palmbomen aan de Côte d’Azur. Jos Lammertink glimlacht bij de herinnering: ‘Jan Aling, Johan van de Meer en ik waren er zelfs al een week eerder om extra in de bergen te kunnen trainen. We logeerden op de boot van sponsor Rody Hoogenboom, die er door medewerkers van hem vanuit Nederland daar naar toe gevaren was. We hadden op de boot een eigen kamer met douche. We kwamen niks tekort daar. Heerlijk.”

HB-Alarmsystemen. Zo luidde dus de naam van de eerste profploeg van Jos. De amateur die vaak op het hoogste treetje stond van het erepodium, trok de aandacht van de professionele wielerwereld. Jos had o.a. Olympia’s Ronde en de nationale titel op zijn erelijst staan en hij reed voor de succesvolle Amstel-ploeg met Herman Krott als baas, die goeie ingangen had in wereld van de beroepsrenners. Het was 1979, Jos leefde toe naar een nieuwe uitdaging. Hij verlangde naar een leven als prof. “Het zou mijn eerste betaalde baan zijn”, vertelt hij. “Krott had contacten met Miko-Mercier, waar Joop Zoetemelk de kopman was en Jean-Pierre Danguillaume de ploegleider. Daar wilde ik graag heen. Frits Pirard reed er al, Leo van Vliet ook. Daar zou ik een gedegen opleiding krijgen als beroepsrenner, daar leerde je koersen. Ik zat regelmatig al met mijn gedachten in Frankrijk.”
Maar het liep anders. Joop vertrok in het najaar naar TI Raleigh, de ploeg van Peter Post, waardoor de weg naar Frankrijk voor Jos een grote stap zou zijn. Bovendien vertrokken de andere Nederlanders er ook. Pirard ging naar Italië, Van Vliet ging ook naar Post. Jos zag Miko-Mercier niet meer zitten en ook Krott was niet overtuigd van mijn kans van slagen. “Dat hoorde ik via via. Maar als Joop er was gebleven, had ik het wel gedaan. Zeker weten.”

Krott regelde een andere ploeg. Het was de kersverse formatie van HB Alarmsystemen van de gebroeders Rody en Bob Hoogenboom. Ze stopten als sponsor van de Formule I. Rody vertelde Jos later dat hij schoon genoeg had van die wereld. “Hij zei: ‘Steeds als een coureur een blok opgeblazen had, moesten wij weer even zeventig rooitjes overmaken. Dat was ik meer dan zat’, zei hij tegen me. Gelukkig bleven de broers in de sport en werden ze sponsor van een wielerploeg. Krott regelde dat ik er ook een plek kreeg. Ik las een tijdje later dat Gis Gelati en IJsboerke ook belangstelling hadden voor mij, maar zelf heb ik dat nooit gehoord. Theo de Rooij ging in die tijd naar IJsboerke voor een basiscontract van 50.000 gulden en ik ging voor de helft naar HB. Daar zit overigens het prijzengeld niet bij. Nee, Krott heeft me in zekere zin niet goed verkocht. Van de andere kant vond ik het best goed dat me dit als 21-jarige jongen overkwam.”

Enkele ploeggenoten van Jos waren streekgenoot Herman Ponsteen, Ad van Peer, Peter Zijerveld, Jos Schipper, Jan Aling en Wim de Ruiter.  “Het zag er goed uit”, herinnert Jos zich, “Gios-fietsen, mooie kleding en met Fons van Heel hadden we een goede, betrouwbare verzorger. Dat was een man die geen grappen uithaalde. We kregen allemaal een Volvo 343. Alleen Wim de Ruiter kreeg een 244. Hij had een grotere auto nodig, omdat hij Jan Raas en Cees Priem mee moest nemen naar de koersen buiten Zeeland. Raas en Priem zaten bij Post, maar dat maakte niet uit. Die hadden op die manier een eigen chauffeur. En wat die Volvo’s betreft. Die hadden heel dikke bumpers waar je gerust met enkele kilometers per uur ergens tegenaan kon botsen, zonder gevolgen. Dat liet de baas zelf regelmatig trots zien. Zich niet realiserend dat je wielrenners niet moet stimuleren dat je met die auto’s ook botsautootje kon spelen. Daar kunnen we ook nog wat verhalen over vertellen. Zo maakten wij er een sport van om ploeggenoten op de autobaan te begroeten door bij elkaar achter op de bumper te knotsen, een beetje testen met hoeveel snelheidsverschil dat kon. Deed je dat te hardhandig dan knalde de nummerbordverlichting er wel eens uit. Maar trof je het dat Wim de R. je achterop kwam dan moest je het stuur wel goed vasthouden. Die auto had een veel hogere topsnelheid en dat moest je dan merken ook!”

Annette, de echtgenote van Jos, haalde met de Volvo de voorpagina’s van enkele kranten. Jos: “Ze reed ermee als wij in buitenland zaten. We woonden toentertijd in Oldenzaal. Tijdens haar werk als ziekenverzorgster moest ze naar de apotheek. Daar zat vroeger schijnbaar het Molkenboer-complex waarvan ze een aantal tanks in de grond hadden laten zitten. En daaroverheen hadden ze een straat aangelegd. Een van de tanks was intussen verroest en ingestort en als je dan op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bent, ontstaat er ineens een gat.”

Annette liet de krant aan Rody zien toen de ploeg van Schiphol werd opgehaald. “Wij hadden weinig gepresteerd, maar Annette had wel de krant gehaald. Rody  vond het goeie reclame.”
Saillant detail, Annette had auto wel op de handrem gezet.

Meer anekdotes uit die tijd? “We waren op trainingskamp. Daags voor de eerste wedstrijd gingen ploegleider Henk Koopmans en Rody op stap en dronken daarbij (te) veel whisky.  De volgende dag lag Koopmans in het ziekenhuis. Rody promoveerde zichzelf tot ploegleider. Had hij nooit eerder gedaan. Hij had er geen verstand van, maar deinsde er niet voor terug om tijdens de wedstrijd de gelouterde ploegleider Cyrille Guimard te laten merken dat er met hem niet te spotten viel. Hij was een vreemdeling in de rij van volgauto’s achter de renners. Met alle gevolgen van dien.”

Ander voorval: “Rody nam ons tijdens de etappekoers Parijs-Nice een keer mee naar een nachtclub. We waren in tafelkleding en mochten niet naar binnen. Mooie, strakke, witte pakken en op slippers. De grote baas moest erbij komen. Rody zei hem dat hij kon kiezen. Of wij naar binnen of hij kocht de hele zaak op waarbij hij hem als eerste zou ontslaan. Toen mochten we naar binnen. Aan tafels, dicht bij de show op het podium, waar vervolgens de grootste flessen champagne uit hun assortiment werden geserveerd.  Dat soort dingen deed Rody. Hij wilde ons laten zien wat er zoal te koop is in de wereld. Dat het niet ten goede kwam aan de prestaties van de coureurs, was voor hem niet belangrijk.”

De twee jaren bij HB (daarna stopte de ploeg alweer) waren om nooit te vergeten. De renners beleefden allerlei avonturen die ze nooit voor mogelijk hadden gehouden. En van de  zes weken geleden overleden Henk Koopmans erfde Jos toch nog iets, de bijnaam Lampekap. Lammertink vond hij zo’n lange naam (?).

Al met al concludeert Jos dat de ploeg van Post voor hem een veel betere ploeg geweest was. “Daar wonnen jongens, die ik bij de amateurs veruit de baas was, in dezelfde periode etappes in de Tour. Maar Krott en Post waren geen vrienden, waardoor die weg afgesloten was voor mij. Ik reed de Tour toen niet, want HB kreeg er geen uitnodiging voor. Niettemin was het een leerzame periode. We hebben veel gelachen, maar je kunt gerust betwijfelen of HB wel de juiste ploeg was om als beginnend prof het vak te leren.”

Dat mag allemaal zo zijn, toch was Jos behoorlijk succesvol in de twee jaren dat hij in het shirt van HB fietste, ondanks dat hij ook nog de ziekte van Pfeiffer kreeg. Zo won hij meteen zijn eerste koers als prof, de Grand Prix de Saint-Raphaël. Hij won in ’80 en ’81 een etappe in de Ronde van Spanje, won in die jaren beide keren het eindklassement van de Zesdaagse van Rijn en Gouwe en in 1981 een etappe in de Ruta del Sol. Diverse keren eindigde hij kort in één- en meerdaagse koersen. In zijn eerste Parijs-Nice werd Jos negentiende.
(Op een aantal van deze prestaties komen we later in deze serie terug.)

ASSISTENTEN

Joseph Oosting heeft kennelijk de wens geuit zijn assistenten Uneken en Duits mee te willen nemen naar Twente. Niets ten nadele van deze twee mannen, misschien zijn het uitstekende assistenten bij RKC, maar heeft de FC hen nodig? Oké, Ivar van Dinteren en Adri Bogers vertrekken. Dan heb je vacatures. “Dan vragen we Uneken en Duits wel”, opperde Joseph. “Ik heb altijd goed met die mannen gewerkt.” Want Joseph zoekt bij het veel grotere FC Twente naar houvast, naar helpers die achter hem staan, die hij kan vertrouwen. Zo schijnt dat te werken.

Ik ga er uiteraard niet over, maar ik betwijfel of je die wens moet vervullen. Zeker niet voor allebei. Bij de FC hebben ze Jeffrey de Visscher al (is ook assistent van de hoofdtrainer) en ook op de voetbalacademie werken trainers die in aanmerking komen. Een technische baas – in dit geval het duo Streuer (foto)/Bruggink – moet altijd eerst naar eigen mensen kijken. Daar ben je cultuurbewaker voor, zoals dat zo deftig heet. Je moet ambitieuze eigen mensen de kans geven door te schuiven en als baas heb je ook de taak om door te selecteren. Kan een jeugdtrainer doorgroeien? Kan hij beter of ook renderen op een andere positie of komt hij wellicht zelfs in aanmerking om bij de A-selectie te werken. Je moet ook scouten binnen eigen gelederen. Zijn er geschikte mensen – en die zijn er, heb ik me laten vertellen – dan hebben die voorrang. Ze verdienen het en kennen de club intussen al.

Dan heb je nog geschikte, potentiële assistenten die al eerder bij de FC hebben gewerkt en in het verleden werden geloosd. Bekendste voorbeeld is Theo ten Caat. Hij zorgde ervoor dat afgeschreven mannen als Zerrouki en Wieffer, die in de periode Van Leeuwen geen kans kregen, aan het voetballen bleven en uiteindelijk toch nog heel goed terecht kwamen.

Als Joseph toch iemand mee had willen nemen, dan had ik liever Seuntjes. Hij mag dan lui zijn bij balverlies, bij balbezit is hij goud waard. Lees zijn statistieken er maar op na. Maar Streuer twijfelde aan hem, zo las ik. Seuntjes gaat naar Utrecht…

OUD-WERELDKAMPIOEN BERT BOOM WORDT VANDAAG 85

Op de dag dat in zijn achtertuin te Enter de Ronde van Overijssel voor de 69ste keer op de rol staat, verjaart Bert Boom. De oud-wereldkampioen achter grote motoren (in ’69) was er veertien keer bij als renner. Hij werd één keer derde (1970). Bert wordt vandaag 85 jaar.
Vorig jaar maakte ik een serie van 52 afleveringen over zijn zeer gevarieerde (wieler)leven. Bert was in 1976 ook nog wereldkampioen op de weg bij de veteranen en dat was ongeveer een maand of zes na een zware operatie waarbij een tumor uit zijn hoofd verwijderd werd die – zoals hij vaak verteld heeft- zo groot was als een mandarijn.
Talloze koersen schreef de man uit Enter op zijn naam. Enkele klassiekers, veel rondjes om de kerk, vooral in Oost- en Noord-Nederland en in Duitsland. Hij won als stayer op het WK baan in 1971 ook nog brons, coachte wereldkampioen veldrijden Hennie Stamsnijder bij het WK veldrijden in 1981 en was bovenal leermeester van talloze jonge coureurs die het vak van wielrenner wilden leren. In de eindjaren vijftig al organiseerde Bert wintertrainingen voor wie maar wilde, want hij vond dat de renners destijds na het seizoen veel te lang pauzeerden. De man die bekend staat om zijn humor was ook prins Carnaval, hij was gemeenteraadslid, hij werkte jarenlang voor Shimano, hield overal in het land lezingen over de geheimen van de fiets en was mecanicien van onder andere de nationale vrouwenrolstoelbasketbalploeg en van gehandicapte baanwielrenners op de paralympics. Hij reisde met deze ploegen de hele wereld over.
Te veel om op te noemen. Op de dag van de Ronde van Overijssel die in 2000 door zijn zoon Bart gewonnen werd, viert de veelzijdige Enternaar zijn 85ste verjaardag.

7 | JOS & DE RONDE VAN OVERIJSSEL

Bert Boom wordt morgen 85 jaar op de dag dat de Ronde van Overijssel voor de 69ste keer de regio doorkruist. Boom was veertien keer van de partij. De renners uit de regio staan graag op de deelnemerslijst. Han Vaanhold was er tien keer bij, Herman Snoeijink negen keer, waarvan twee keer als winnaar. Jos Lammertink is een uitzondering. Hij reed de ronde maar één keer (in 1978) en werd tot zijn grote spijt slechts zesde. “Daar baal ik nog steeds enorm van”, zegt Jos. “Ik ben maar drie jaar amateur geweest en moest vaak in het buitenland rijden. Daardoor kon ik niet altijd meedoen. Maar die keer in ’78 had een overwinning er wel ingezeten.”

Tijdens de finale van de klassieker waren er diverse ontsnappingen. Jos: “Daar hebben wij met de Amstel-ploeg niet alles uitgehaald. Acht kilometer voor de streep in Rijssen reden Herman Snoeijink van de Ketting-ploeg en mijn ploeggenoot Frits Pirard weg uit een kopgroep van zeventien man. Snoeijink won, Pirard werd tweede en ik zesde. Arie Hassink werd dertiende. “Ja, ik baal nog steeds dat ik niet op de erelijst van de Ronde van Overijssel sta. Ik voelde me beresterk, maar het liep voor mij verkeerd die dag. Anderhalve maand later werd ik kampioen van Nederland.”

Hier de uitslag met de eerste dertig.1. Snoeijink (Denekamp) 192 km in 4.23.49, 2. Pirard (Breda) z.t., 3. Wekema (Peize) op 5 seconden, 4. Koersen (Emmeloord) z.t., 5. Klomp (Giessenburg) z.t., 6. Jos Lammertink (Wierden) op 9 seconden, 7. Nederlof (Maarssen), 8. Van Lamoen (Rosmalen), 9. Henk Boom (Markelo), 10. Th. de Rooij (Utrecht), 11. Gommers (Roosendaal), 12. Scholten (Ruurlo), 13. Arie Hassink (Neede), 14. Hilberink (Den Ham), 15. Kuys (Vlijmen), 16. Gruijters (Lieshout), 17. Groen (St. Pancras), 18. Plugers (Eindhoven), 19. Hans Boom (Markelo), 20. vdVelden (Geldrop), 21. Brokelman (Hardenberg), 22. Borst (Zwanenburg), 23. De Jong (Schijf), 24. Seuntjes (Bladel), 25. Versteeg (Giessenburg), 26. Albersen (Wierden), 27. Van Gaalen (Winssen), 28. Van Nistelrooy (Nuland), 29. Van Pierre (Mijdrecht), 30. vdBroek (Soest).

Jos was slechts één keer van de partij, toch is zijn naam voor altijd verbonden aan de Ronde. Want na zijn loopbaan als prof kreeg hij een telefoontje van Jan Bakker, destijds de voorzitter van de klassieker. Jos: “Of ik wat wilde doen voor de Ronde; in de organisatie. Daar had ik nooit bij stil gestaan. Het enige wat ik meestal deed, was commentaar geven op dingetjes die niet voor elkaar waren. Maar ik zei ja en kwam erachter dat de organisatie van zo’n koers een gigantische klus is. Je hebt een handboek van a tot z, van maand tot maand, waarin elke verlangde actie tot in detail uitgewerkt wordt. Wanneer doen we dit en wanneer dat. Na de koers werd er geëvalueerd waarmee het handboek steeds verder werd geperfectioneerd.”

Hij zag de trots bij zijn collega’s in bestuur en commissies als de UCI geen aanmerkingen had en het een perfecte koers had gevonden. Tot 2021 stelde Jos het deelnemersveld samen. Dat was in het begin vrij gemakkelijk, omdat hij nog veel contacten had in de wielerwereld. Later werd het moeilijker. “We moesten oppassen dat er geen ploeg deelnam die er met kop en schouders bovenuit stak, zoals een bepaalde periode de Bankgiroloterij-ploeg. Ook hadden we een periode dat enkele oud-profs die niet doorgebroken waren bij de profs, de koers domineerden en zo de doorstroming van de jeugd blokkeerden. John Talen was daar een voorbeeld van. Daarom hebben we ons hard gemaakt om renners boven de 27 jaar niet meer toe te laten. De toenmalige coördinator van de profrenners Gerrie van Gerwen deed er alles aan om die plannen niet te laten slagen.”

Tijdens de Ronde van Overijssel wordt ook altijd dankbaar gebruik gemaakt van diverse garagebedrijven die een aantal auto’s beschikbaar stellen aan de organisatie. Het is een mooie kans om hun product op een andere manier te presenteren dan in de showroom: de auto strak in de lak, de naam van het bedrijf pontificaal in beeld. Een vaste contactpersoon onderhoudt de relatie met de garages en zorgt ervoor dat alles van a tot z wordt geregeld.

Jos: “Het was puur toeval dat ik op een dag door Jan Wolterink van Pouw Rijssen aangesproken werd. Hij had dat jaar de taak gekregen om de auto’s te regelen. Hij vroeg mij als insider van de Ronde hoe dat werkte. Ik gaf aan dat ik met de persauto reed voor TCTubantia, Telegraaf en Wielerrevue. Ik zit dan boven op het nieuws, ben veel in beeld dus zou mijn auto veel reclame genereren en aangezien Audi kort daarvoor bekend had gemaakt dat ze met een speciale Audi S6 uit zouden komen, moest hij zorgen dat ik daarover kon beschikken. Ik vertelde hem dat de motoren in die Audi’s van de 10 tiencilinder Lamborghini Gallardo worden. Onderwijl moest ik me op de op de onderlip bijten om maar vooral niet in lachen uit te barsten. Maar wonder boven wonder pakte Jan het heel serieus op. Hij beloofde zijn best te doen. Wat zou dat een mooie dag gaan worden als het mocht lukken.”

Daags voor de koers kon Jos de bolide ophalen. Hij wist al dat Wolterink erin geslaagd was de bewuste auto te reserveren. Iets eerder dan het afgesproken tijdstip, hij moest ‘m natuurlijk wel even uitproberen, kwam Jos bij Pouw Rijssen aan. En daar stond een zilvergrijze Audi met zwarte voorkant. Zwart van de duizenden insecten wel te verstaan! Blijkbaar was zijn keus ook in de smaak gevallen bij de verkopers en hadden alvast driftig wat proefritten gemaakt. Maar de auto werd keurig gewassen, bestickerd, afgetankt en iets later dan gepland kon Jos hem meenemen. “En als je dan uit je eigen VW-busje komt waarin je pas na kilometers eindelijk de topsnelheid van 197 km kon bereiken, was dit wel andere koek. Ongelooflijk wat een acceleratie en wat was het geluid uit de vier uitlaten opzwepend. Ietsje meer dan dertig seconden en de begrensde topsnelheid stond op de klok. In de koers kon ik dat natuurlijk niet maken. Na de start om 12.00 uur reed ik met de journalisten eerst even via de A1 naar de Tankenberg alwaar de eerste bergsprint werd gehouden. Nog nooit hebben we daar zo lang moeten wachten op de renners als in dat jaar, rara hoe zou dat toch kunnen?”

Vervolgens in de wedstrijd was de Audi in zijn element en chauffeur Jos nog meer. “Wat een uniek speelgoed”, glimlacht hij. “Hoezo smal, klinkertjes, slechte weg? We zaten met elke ontsnapping en elke kopgroep mee. Ik heb er die dag alles aan gedaan om bij elke sportieve autorijder het brullende V-10 Lamborghini geluid onder de aandacht te brengen. Elke bocht met publiek ietsje gas d’r bij en direct resultaat.”

Toen de fysieke toestand van Jos achteruit ging en hij niet meer uit de auto kon komen, nam hij in 2021-’22 het besluit om te stoppen. “In die tijd telde de dag van de Ronde voor mij zo zwaar dat ik drie dagen nodig had om te herstellen. Ik vond het jammer, was graag door gegaan. Ik moest janken zelfs. De band met mijn collega-organisatoren werd na heel wat jaren doorgesneden. Edo Elfrink zou mijn opvolger worden.”

Jos, wiens vrouw Annette als gastvrouw ingezet werd, kijkt vol dankbaarheid terug op zijn werk voor de Ronde. “Het was een heel mooie hobby. Ik heb er veel plezier aan beleefd. Op enig moment, was het een soort reünie. Ik voelde me na afloop altijd heel voldaan als het allemaal weer goed was afgelopen.”


Jos als een van de organisatoren van de Ronde

VOETBALLEN OM TE VOETBALLEN

Twee keer de wedstrijd tussen Ajax en PSV in korte tijd. Dat was teveel van het slechte. C-acteurs, schoppers, omhoog gevallen spelers, te veel voetballers die de bal vanaf 11 meter niet op het 7 meter brede doel kunnen schieten. Twee miljoen mensen hebben de bekerfinale gezien. En wat voor herinnering houden ze eraan over? Gelukkig hielden de supporters van beide partijen zich in en dat mag eigenlijk een wonder heten, als je zag hoe sommige spelers zich misdroegen. Want vaak begint de ellende daar.
Van sommigen weten we dat het schoppers zijn, maar zo erg? Van anderen weten we dat ze graag toneel spelen. Tadic grijpt na een hard duel het liefst naar een lichaamsdeel dat niet geraakt werd. Klaassen, Timber en Bergwijn zijn er als eersten bij als er opstootjes zijn, zelfs Luuk de Jong was meer tegen de scheidsrechter aan het grommen dan aan het voetballen. Is het dan raar, dat een paar opgefokte fans zich misdragen? Wat een wonder overigens dat dit laatste gisteren bij de finale bijna niet gebeurde. Slechts een kleine twintig arrestaties…

De coaches Johnny Heitinga en Ruud van Nistelrooy keken stoïcijns toe. Beiden snakten ze enorm naar drie punten, respectievelijk de beker. Om een schopper of c-acteur te manen zich te gedragen, kwam niet in hen op.
Ik moest aan Kees Rijvers denken, de oud-trainer van oa FC Twente, die deze maand 97 jaar wordt. Hij haalde in de zomer van 1967 Eddy Achterberg van DOS naar de FC. In de eerste de beste oefenwedstrijd liet de man met de bijnaam De Keu zich meteen gelden. Hij ging er vol in, raakte man en bal tegelijk en nog een keer en nog een keer. Dat hij kon voetballen liet hij af en toe ook zien. “Pittig spelertje”, zeiden de nieuwsgierige kijkers langs de kant. Maar Rijvers was er niet van gediend. Tijdens de rust stapte hij geïrriteerd op Achterberg af met de mededeling dat de FC hem had gehaald om te voetballen en niet om te schoppen. Hij wilde dat militante gedrag van De Keu niet meer zien. En zo geschiedde…
Ander voorval met Rijvers als hoofdpersoon. In 2015 was hij in Enschede en werd hem de vraag gesteld of hij nog regelmatig naar wedstrijden keek. Hij was toen 89 jaar. “Nee”, zei hij, “nauwelijks. Als ik ga kijken, dan is het een pupillenwedstrijd. Dat is veel leuker, daar wordt gevoetbald om te voetballen.”
Voetballen om te voetballen. Dat mag ook hard zijn. Maar niet met de focus op het onderuit schoppen van elkaar of om elkaar alleen maar te intimideren, niet om tegenstanders aan hun shirt achterover te trekken, niet om huilend op de grond te vallen om niets, niet om de scheidsrechter voortdurend aan te vliegen ivm diens fluitwerk en ga zo maar door.

Als dat zou kunnen? Voetballen om te voetballen. Misschien gaat zelfs de oude Kees dan nog weer eens naar het stadion…

6 | JOS & HENNIE

Hoeveel oud-renners kennen Jos en andersom. Dat zijn er veel, in Nederland en andere landen. Jos was een winnaar, van de aspiranten tot en met de beroepsrenners. Dan ben je bekend, dan heb je aanhangers en word je niet vergeten. Het bleek de afgelopen week toen Jos een zware steen van zijn maag gooide door eindelijk bekend te maken dat hij in zijn eerste jaren als renner meerdere keren seksueel misbruikt is door zijn begeleider MZ te B, zoals hij hem zelf altijd betitelt. De reacties op de tragische ontboezeming waren talrijk en zonder uitzondering buitengewoon meevoelend en sympathiek. Familieleden en vrienden, oud-renners, wielerliefhebbers, organisatoren, ploegleiders en vele anderen leefden met hem mee en staken hem een hart onder de riem. “Bijzonder hartverwarmend”, zeggen Jos en zijn vrouw Annette. “Telefoontjes, appjes, emotionele bezoeken. Mensen die vroeger ook met misbruik te maken hebben gehad en er nu mee naar buiten durven te komen. We hebben een hectische week gehad en hebben daar achteraf geen spijt van.”

Dit gezegd hebbende, stappen we over op hoofdstuk 6 van de serie over het leven van oud-wielrenner Jos. Deze keer vertelt hij over zijn beroemde, negen jaar oudere streekgenoot Hennie Kuiper. De beide mannen kennen elkaar goed. Ze spreken elkaar af en toe nog. Vroeger koersten ze regelmatig tegen elkaar. Nuchtere Tukkers, die elkaar begrepen.

Van 1980 tot ’88 waren beide matadors regelmatig op weg naar dezelfde finish. “In principe was hij een concurrent van mij. Ik had veel gelezen over Hennie en had extra aandacht voor hem. Ik vond het mooi om tegen hem te koersen. Hij was de dertig al gepasseerd, maar was nog enorm actief. Hij zette zich iets in zijn hoofd en maakte het nog waar ook. Dat was vaak heel bijzonder”, zegt Jos. “Toen ik bij de nieuwelingen en junioren fietste hoorde ik om mij heen vaak het advies dat ik een voorbeeld moest nemen aan Hennies karakter en doorzettingsvermogen. Een jaar of zes later fietste ik met hem in dezelfde wedstrijd. Ik reed met ‘cowboys’ als Wim de Ruiter, een coureur die grappen uithaalde in het peloton. Hennie zei dan tegen mij: ‘Let op Jos. Hij doet zo gek om in het gevlij te komen van Raas en Priem. Hij zei dat in het Twentse dialect om niet op te vallen’. Zo wierp hij zich soms een beetje op als mijn adviseur.”

Jos verwijst naar een van de biografieën van Hennie waarin te lezen is hoe de relatie was tussen hem en zijn ouders. Jos kan zich daar goed in vinden. Beide Tukkers lijken op elkaar. Niet alleen begonnen ze beiden hun wielerloopbaan met oude fietsen en wilde koersen en waren ze misdienaar in de parochiekerk, ook de thuissituatie was vergelijkbaar. “Onze ouders hielden van ons, maar uitten dat niet in tedere liefkozingen”, zegt Jos. “Hennie vertelt dat zijn ouders veel hielden van hun kinderen, maar dat ze dat niet toonden. Hij kan zich niet herinneren ooit bij zijn ouders op schoot te hebben gezeten. Ruimte voor gevoelens was er niet in huize Kuiper. Zo was het bij ons thuis ook. En daarmee wil ik mijn ouders niet tekort doen. Zo was dat toentertijd.”

Anekdotes met beide oud-coureurs als hoofdpersonen zijn er ook. Hennie was in 1998 de coach van 560 wielerliefhebbers die onder auspiciën van de Twentsche Courant Tubantia de Alpe d’Huez opfietsten. Daarmee kreeg hij een fraaie vermelding in het ‘Guinness Book of Records’. Hennie kreeg vanaf toen de vraag van meer kranten en andere instanties om dat ook met hen te doen.

In 2000 vroeg Hennie aan Jos en Wim Albersen (ook een oud-renner) of zij met hun partners mee wilden naar de Alpe d’Huez. “Dat jaar hadden Wim en ik ook een aantal weken een groep fanaten onder de hoede die we in de cols rond Oldenzaal hebben voorbereid op de Alp. Die keer coachte Hennie 260 schaatsliefhebbers in samenwerking met de KNSB op weg naar de alpentop. Onze vrouwen konden samen met Marianne, Hennies vrouw, administratieve ondersteuning bieden. We zijn met eigen vervoer naar Frankrijk gereden en waren in vakantiestemming. We sliepen in Les Deux Alpes, een ideale après-ski plaats, als je de berichten mocht geloven. Maar alleen in de winter zo bleek bij aankomst. Het was er uitgestorven.”

Daar in Les Deux Alpes waren de beide echtparen qua huisvesting goed bedeeld. Elk stel beschikte over een riant tweekamerappartement voor vier personen. En Lammertink zou Lammertink niet zijn als er niet direct een plan op kwam borrelen. “Als wij nu eens bij elkaar in één appartement trokken, dan hadden we nog een locatie voor vier personen in de aanbieding. Dus belden we met het thuisfront en nodigden broer Laurens en zus Leontien met partners uit. Laurens was volop in training en zwager Bart was inmiddels ook met het wielerbacil besmet. Het was niet moeilijk om ze over te halen, de spullen werden gepakt en ze kwamen plankgas onze richting”, glimlacht Jos.

Gelukkig hadden Jos en zijn mensen nog een vrije dag voordat de Alpe d’Huez op het programma stond. Ze benutten de tijd om de klimspieren alvast lichtjes op te warmen. Althans, dat hadden hij en Wim de anderen wijsgemaakt. Jos: “Tussen muren van sneeuw bedwongen we de Col du Lautaret en de Col du Galibier. Dat verliep probleemloos, op kleine vloekjes van Abdoe na. Dat was de bijnaam van Laurens vanwege zijn giga-sprintvermogen, nagenoeg gelijk aan de legendarische Djamolidin Abdoezjaparov. De dag van de waarheid, de race tegen de klok op de Alpe d’Huez, was een bloedhete dag. We zijn gedrieën van schaduwplek naar schaduwplek naar boven gereden, en dat zijn er niet zo veel. In het dorp net voor de finish hebben we nog een terrasje gepakt, dat ietsje uitliep. Toch waren we uiteindelijk maar 1 uur en 45 minuten langzamer dan de recordtijd van Marco Pantani, die nog steeds staat op 37 minuten en 35 seconden.”

“Omdat we niet helemaal uitgeblust waren konden we ons ’s avonds op het slotfeest van de beste kant laten zien en ‘het licht uitdoen’. Annette zei tegen Marianne: ‘Ik ga straks even met Hennie dansen’. Marianne wist te melden dat Hennie niet kon dansen èn ook nooit zou gaan dansen. Een kwartier later was dat toch een feit. Grenzen werden verlegd op die legendarische plek”, aldus Jos.
De beide toprenners van weleer hebben nog altijd contact. “Af en toe, toen het nog kon, gingen we uit eten. Soms belt Hennie spontaan om even een bakje koffie te doen. Ik zie hem hier nog op de knieën voor de tafel zitten om voor alle bezoekers een toastje te smeren. Nergens te groot voor. En waarom ook? “
Foto boven: vlnr Wim Albersen, Abdoe, Jos en zijn zwager Bart op de top van de Galibier.


1987. Een grote groep renners in Parijs-Roubaix met rechts Jos en links Hennie.


En het certificaat dat iedere bedwinger van de Alpe d’Huez kreeg.

2000. Gezelligheid in Les Deux Alpes. Vlnr Wim Albersen, Jos’ echtgenote Annette, Annie Albersen, Hennie, Jos en Laurens.

5 | TRAUMA

De vijfde aflevering van deze serie. Het wordt hoog tijd om een afschuwelijke episode te beschrijven uit het leven van Jos. Dan is het gedaan, dan hebben we dat gehad. Want Jos zat er zijn hele (wieler)leven mee in de maag. Dagelijks. Als een zwerfsteen zo groot. Hij vertelt dat hem, na ons eerste telefonisch contact om een afspraak te maken, een weeïg gevoel bekroop en dat hij besefte waar dat toe zou gaan leiden.

Jos: “Toen jij een weekje later vertrok met stapels fotoalbums en plakboeken, wist ik het zeker. In die tassen en dozen was namelijk mijn wielercarrière opgetekend, een periode waarin MZ (Jos kan de volledige naam van zijn voormalige begeleider niet meer over zijn lippen krijgen -GE) veelvuldig in beeld is, de begeleider met een groot hart voor de wielersport. De man die zeer bekend was in de wielerwereld. De man die werd getypeerd als de ideale coach waarbij successen gegarandeerd leken. De knipsels, overzichten en talrijke foto’s uit de beginjaren van mijn carrière genereren vanzelf ook een grote lofzang over hem”, aldus Jos. ‘’De man leek op het eerste gezicht een voorbeeldfiguur, maar achter die façade ging een duister geheim schuil. Hij was de man die mij seksueel misbruikte gedurende vele jaren. Een groot trauma dat inmiddels een halve eeuw oud is. Het was al die jaren een heel zwaar blok aan het been. Het was een hel om te zwijgen over wat er zich afgespeeld heeft, want ik schaamde me zo verschrikkelijk diep.”

We zouden de komende tijd zijn leven, zijn carrière, zijn kijk op de wielersport van toen en nu doorspitten. We zouden oude verhalen ophalen en anekdotes. Jos: “Om MZ daarbij ook nog op te hemelen, dat zou ik niet kunnen. Dan maar op de proppen met het verhaal. Ik realiseer me dat dit is het moment is om mijn walging en weerzin van wat er destijds is gebeurd, te moeten vertellen. Ik kan me niet herinneren wanneer ik de plakboeken heb aangeraakt. Deze eeuw sowieso nog niet. Nogmaals uit pure walging en afkeer.”

Jos vroeg zich in de jaren zeventig constant af. ‘Waarom ik?’ En ‘Zou hij dat ook met anderen hebben gedaan? Waren er wellicht andere slachtoffers te traceren en kunnen we hem met een groep medestanders dan confronteren met zijn wandaden. Kunnen we die man ontmaskeren.’

“Op dat gebied had ik de antennes altijd ver uit staan”, vertelt hij, “maar ik heb nooit iets vreemds kunnen ontdekken. Ik zag dat Jantje Bakker uit Eenrum, een Amstel coureur, ook ‘begeleid’ werd door een vrijgezel, een man uit Usquert. Zou hij misschien ook…..? Kon ik hem misschien polsen of om advies vragen? Maar dan was mijn vraag ook direct een bekentenis van mij en dat zou dan een rel veroorzaken. En als zich de mogelijkheid voordeed om dat aan hem te vragen, zou ik dichtklappen.”

Waarom liet Jos het toe? Waarom sloeg hij hem niet direct op zijn bek, bij wijze van spreken?

“Nou heel eenvoudig, ik was nog een kind. Bijna net zo klein als die dikke zelf. Hij plande het continu heel sneaky. Hij koos de geschikte gelegenheden uit. Ik geef een voorbeeld. Voor de Acht van Chaam was het noodzakelijk dat er overnacht werd in een hotel. Een hotel? Ik, een jochie van ‘t Hexel, in een hotel? Mooi man, dacht ik. Maar achteraf gezien was dat een afschuwelijke belevenis. Hij betaalde ook later altijd het hotel, maar deed ook de kamerindeling. Er werd achteraf niet over gesproken. Ik durfde het niet en MZ deed alsof er niets gebeurd was.”

“Zo was het ook altijd de gewoonte om bij criteriums zo dicht mogelijk bij het parcours te parkeren. Dan hoefde hij niet zo ver te lopen, dat was niet zijn favoriete bezigheid. Soms kwamen de bewoners, waar we de auto voor de deur hadden staan, ook geïnteresseerd kijken hoe wij de fietsen in elkaar zetten, de banden oppompten enz. Dan was het makkelijk voor de coach, even een babbeltje en de kleedruimte -lees slaapkamer- nota bene in een wildvreemd huis was geregeld voor zijn ‘zoon’. Natuurlijk moest hij daar ook de Midalgan op de benen smeren, als ‘verzorger’, of spanjeur zoals hij zichzelf betitelde in zijn plakboeken.”

“Later werden er fotoboek- en plakboekcontroles ingevoerd. Of biefstuk-eet-sessies. Op de fiets naar het station in Wierden, met de trein naar Borne, waar ik dan bij hem achterop de fiets naar zijn huis ging. Hij woonde samen met twee broers, ook allebei vrijgezel. De jongste broer Toone had een blauwe maandag gefietst en hij bracht zijn dagen door met knooi’n met oale fietsn. Hij had net zoveel tanden als MZ. Ook twee. Zijn oudste broer werkte net als Toone ook niet, maar die zag er nog wel schier uit. Hij was bezeten van voetbal en fungeerde als secretaris van de voetbalclub NEO. Als ik bij hem kwam, kon het zijn dat ik ze nog even trof, maar meestal waren, of gingen ze de hort op. En zo kan ik een hele opsomming van locaties en gelegenheden noemen waar hij toesloeg.”

Vaak vroeg de jonge wielrenner Jos zich af bij wie hij terecht kon met zijn probleem. Wie kon hij vertrouwen? Bij wie voelde hij zich voldoende veilig om ermee op de proppen te komen? Zijn ouders wellicht?

“Nee. Thuis waren we daar niet mee opgevoed. Over gevoelens of over problemen zoals het trauma waar ik mee worstelde, werd niet gepraat. Niet zeuren, luisteren moet je, je eigen boontjes doppen en je doet gewoon wat van je gevraagd wordt.”

Ook al won hij zijn wedstrijden, echt blij werd hij daar niet van. Jos hoorde de wielercommentatoren als Ad van de Meulenreek, Rien Hermse en Chris Delbressine ontelbare malen op het podium omroepen: “Jos, je hebt gewonnen, je mag gerust lachen hoor. Kan er geen lachje af? Hé jongen, kijk eens wat blijer, je hebt gewonnen! Maar die kenden logischerwijs de reden niet. Als ik naar de foto’s kijk, dan zie ik een bang joch, een cry for help. Ken je deze liedjes? Als ik dit soort regels hoor, denk ik altijd meteen terug aan deze rottijd.
Ik ben mezelf niet of al die jaren nooit geweest…
Maar onder die lach zat een droevig gezicht….

Niemand kende de pijn van z’n stille verdriet….”

Jos racete van erepodium naar erepodium, maar ondertussen beheersten de schanddaden van zijn coach zijn leven volledig. Hij kon ook nergens anders aan denken. “Om de gedachten eruit te blazen, heb ik in 1975 van het prijzen- en premiegeld stereo apparatuur aangeschaft. Met muziek, op mijn slaapkamer, probeerde ik op andere gedachten te komen. Verdoven of nog beter, hard, harder, keihard. Eerst met een dikke Pioneer versterker en twee gigantische luidsprekers. Keihard CCR, Dire Straits, Stones, Pink Floyd. Geen succes. Meer speakers, grotere versterker. Mooie gadgets kopen dan maar, weer een tijdelijke afleiding. Het verdiende geld opmaken aan auto’s en accessoires daarin of aan.”

Jos zocht uitdagingen op tot onbenullige aan toe. Hij zette zich af tegen MZ als hij zei hij dat zwemmen niet goed voor wielrenners is. “Dan gingen wij een dag zwemmen in Diffelen en dan won ik evengoed daags nadien een koers. Dat zei ik hem dan niet, maar ik had er wel een goed gevoel erover. Later kon ik dat wel, bewust op stap, gigantisch aan de zuip tot half 5 in de nacht. De volgende dag vroeg ik hem dan, nadat ik met overmacht een criterium gewonnen had, hoe laat dacht je dat ik op bed lag? Half 10? Nee, half 5. Ik herinner me dat ik op die manier de Ronde van Ouderkerk aan de Amstel won op 12 juni 1977. 1. Jos Lammertink, 2. R. Smit, 3. Co Moritz. Maar ja, ik had dan het gevoel dat ik hem wat aandeed, maar in feite had ik me zelf te pakken.”

MZ had zelf geen rijbewijs maar wel een auto (waarin de plek rechts voorin voor hem was gereserveerd). De toen 18-jarige wielrenner Nico Hilberink uit Den Ham reed in de auto van MZ en reed de auto dan via Hoge Hexel en MZ in Borne naar de koers, waar dan ook. MZ regelde de verzekering, de wegenbelasting en wij betaalden de brandstof.
Jos noemt de typeringen die hij in de media ik in de loop der jaren over zichzelf langs zag komen.
Nors, stug, bedeesd.
Een man van weinig woorden.
Neo-prof Jos Lammertink, het verlegenste jongetje.

‘’Allemaal het gevolg van”, zegt hij. “Op het sterfbed van MZ had ik me voorgenomen te zeggen: “Ik wil dat je beseft dat je mijn leven tot een hel gemaakt hebt”. Maar ik heb de kans niet gepakt, heb het toch niet durven zeggen. Met zijn overlijden in januari 1999 dacht ik eindelijk bevrijd te zijn van deze nachtmerrie. Maar helaas.”

Al jaren maakt Jos momenten mee waarin mensen hem aan MZ herinneren. “Ex-coureurs die ik na vele jaren terug zag en vroegen: ‘Hoe heette die dikke man ook alweer? Goeie keerl hè?’ zeiden ze dan.
Via de KNWU moesten we naar een sportarts in Brabant voor een test. Die zei: ‘Kleed je maar uit’.
Ik vroeg: ‘Alles?’
‘Ja alles’.
Dan schrok ik. Het zal toch niet weer….”
Meer voorbeelden die hem te binnen schieten. Na de Mooscross in St. Isidorushoeve hoorde hij zijn vader Henk met Sjakie Schipper, een andere wielervader, vol respect over MZ praten. Over de kleine, dikke man waarover in de wandelgangen respectvol gefluisterd werd, die talentvolle wielrenners naar een hoger plan bracht. Hij was de coach met verstand van zaken, de man die gekoppeld werd aan renners die grote successen behaalden.
Het hoge woord is eruit. Op naar aflevering 6.
Foto boven

1973. Huldiging Overijssels kampioenschap voor nieuwelingen in Luttenberg. Vlnr Boom sr, Jos’ jongste broer Laurens, Jos, MZ, kampioen Rik Tijhuis, Fons Schootman.

1974. Overwinning als nieuweling in Breda. MZ fotografeert de huldiging. Jos kan er niet van genieten.

 

1974. Jos wint de Ronde van Ulvenhout, rechts Martin van de Broek
Nog een knipsel over oud-Tour-winnaar en lotgenoot Bradley Wiggins.

Een toepasselijk knipsel.

1964. Wim Neeskens (links) wordt als winnaar van de Ronde van Steenderen gehuldigd door de rondemiss. Rechts zijn adviseur en plaatsgenoot MZ. Een kleine rondvraag in de wielerwereld levert naast wijlen Wim Neeskens de namen op van renners die in hun jonge jaren eveneens door MZ zijn begeleid en gecoacht: Nico Hilberink, Rik Tijhuis, Herman Ponsteen, Henry Dorgelo, Rob Froeling, Hans Blaauwgeers, Harrie Wolters, Hans Thijs, Jan Willem Fokke, waarmee niet gezegd is dat deze oud-renners ook door MZ misbruikt zijn.

4 | DE GEUR VAN HET PLAKLINT

Hoe begon het allemaal? Op welke manier komt een loopbaan als professioneel wielrenner op gang? Net als veel coureurs begon het wielerverhaal van Jos Lammertink met wilde koersen, waarbij hij op een fiets reed die in de verte op een racefiets leek. Vader Henk en zijn broer Gerard stonden aan de basis. Gerard is dan weer de vader van Jonny Lammertink (die eveneens wielrenner zou worden). Gerard is ook de tweelingbroer van Sientje Stamsnijder (inderdaad de moeder van Hennie). Gerard en Henk keken altijd goed rond op de vuilnisbelt in de naburige buurtschap Rectum of er nog een oude herenfiets gedumpt was. Als ze er eentje vonden, maakten ze die korter. Zoals de eerste foto hieronder laat zien stond de voorvork te veel onderuit, in de chopperstand. Daarom was de fiets te lang en alleen geschikt om rechtuit te rijden. Dus zochten de mannen weer naar ander modellen of combinaties.

Jos: “Mijn vader kocht bij fietsenmaker Schasfoort in Wierden een verchroomd stalen racestuur voor ƒ 13,95, dat erop werd gezet. Op die manier hadden we voor weinig een zogenaamde racefiets.” Hij en zijn broer Herman en hun neef Jonny konden zodoende met hun aan elkaar gelaste frame met brede banden meedoen aan wedstrijden. Kortom, een wielercarrière was geboren. En al snel bleek het een carrière te worden met veel perspectief.

Jos zat op de lagere school in Hoge Hexel toen hij bijna dagelijks met een paar jongens met de provisorische racefiets in de buurt van zijn ouderhuis al kleine, onderlinge wedstrijdjes reed. Ze hadden achter hun huis een parcours van anderhalve kilometer, waarop ze zelfs al tijdritten reden. Neef Jonny was er ook bij. Vlot en vaardig reden de jongens hun rondjes. Zo werden ze steeds meer één met hun imitatie-racefietsen.

Ja, dan kun je ook wel aan een wilde koers meedoen. Dus gingen ze in 1968 naar Nijverdal. Daar had je zo’n wedstrijdje. Jos won. Wie anders?

Van het een kwam het ander. Rijssen had een vijfdaagse met een algemeen klassement erbij. Dat begon erop te lijken. Jos en zijn maten troffen daar Gerrit Vixseboxse. Die was een jaartje ouder en zat op een echte racefiets. Jos won twee keer en Gerrit won twee keer. De vijfde dag viel de beslissing. Gerrit won. Han Vaanhold uit Haaksbergen was er ook al bij. Die had een fiets met echte tubes.

Vader Henk zag dat zijn jongens geknipt waren voor de wielersport. Het begon menens te worden. In 1971 tikte hij een tweedehands racefietsje op de kop bij Hubert Oude Wesselink in Bornerbroek. Herman (bij de 10- en 11-jarigen) en Jos (12/13) konden wedstrijden fietsen. Op dezelfde fiets dus. Ze wonnen beiden hun eerste wedstrijd.

Jos vertelt dat hun vader een overkapping had gemaakt tussen schuur en huis. “Daar stalden we onze racefiets met de echte tubes. We waren zo trots. De geur van het plaklint, pfff wat lekker was dat. Elke morgen als ik opstond, liep ik eerst even naar de fiets.”

Er was daar in Hoge Hexel een onvervalste wielrenner geboren…

1971. Bovenaan de foto waarop Jos lachend poseert met de fiets van het plaklint. Plaklint werd gebruikt om de tubes (banden) op de velg te plakken. Het was dubbelzijdig, superoed plakkend tape. Leren zadel, met wielen nog zonder klapnaaf. En voor het eerst zonder terugtraprem!


1967. Vader Henk demonstreert de fiets met het bijzondere stuur. Links Jos, rechts Herman en onder zien we nog een deel van Jonny’s hoofd. Het was een volledig, kostenneutrale herenfiets die getransformeerd was naar racefiets. De stuurbocht leek al op een echt racestuur, maar bleek in de praktijk toch niet helemaal te voldoen.

1968. De fietsen waar Jos en zijn maten de eerste wilde koersen mee reden, allemaal met zo’n zelfde glimmend racestuur. V.l.n.r. Jos, Jonny, Anne Edelenbos, Hennie Stamsnijder, Ben te Wierike en Herman, de broer van Jos.

1971. Jos is al een echte wielrenner. Hij rijdt de Holterbergtijdrit. (Beugels onder de bovenbuis voor de fietspomp!)

3 | NIET VOOR MIETJES

Jos reed een aantal keren van Parijs naar Roubaix, ook zo’n klassieker die iedere profrenner graag op zijn erelijst heeft staan. Hij genoot ervan, maar kwam er ook achter dat je op die keien goed moet kunnen sturen. Je rijdt immers in een regio waarvan de infrastructuur middeleeuws aandoet. Iedere kei is een scherprechter. Wie niet behendig is met zijn fiets, heeft een rotdag. “Als je niet oppast”, zegt Jos, “vlieg je alle kanten op. Je hebt de lange aanloop naar het Bos van Wallers en daarna komt de ene strook na de andere. De beste plek is midden op de weg. Daar is de weg wel slecht, maar daar zitten de minste gaten. Het is moeilijk om kort aan het wiel te rijden waardoor vaak de sterksten overblijven. Ik fietste mee in de voorste gelederen maar altijd in een dienende rol. Toch was het wel een koers naar mijn hart. Parijs-Roubaix is een wedstrijd voor bikkels, niet voor mietjes.”

Qua zwaarte is Parijs-Roubaix te vergelijken met de Ronde van Vlaanderen. In 1983 was Jos voor het eerst van de partij. Ik moest ervoor zorgen dat Gregor Braun als eerste op de kasseien arriveerde. “Opdracht geslaagd”, weet Jos. “Ik heb hem zelfs later nog eens mijn wiel kunnen geven. Resultaat nul. Niemand haalde de finish.” Hennie Kuiper won.

In 1984 reed Jos in dienst van Peter Post bij Panasonic en was hij knecht van de kopmannen Planckaert en Vanderaerden. “Met de ploeg hadden we dat jaar de voorjaarsklassiekers beheerst. Maar aan de finish hadden we alleen Eric Vanderaerden; op een kwartier achterstand. Blijf je wel of niet gespaard van pech. Daar draait het om in Parijs-Roubaix. Ik had een paar keer een lekke band en dan ben je gezien, want de wagen met reservewielen is meestal niet in de buurt. Dan moest je maar ergens een lift regelen om bij de wielerbaan te komen. Nee, dat was geen probleem. Er waren zoveel wielerliefhebbers in de buurt. Je vond wel iemand die jou en je fiets erheen wil brengen. Zo’n toeschouwer is er blij mee om op die manier een renner te kunnen helpen.”

Tegenwoordig zijn de taken van de renners nog meer gestructureerd. “Je hebt Van der Poel, Van Aert, Pocajar, Pidcock en nog enkele toprenners. Alles draait om hen. Verder zal niemand een vrije rol hebben. Iedereen heeft een taak. Voor het eten zorgen, kleding van de kopman naar de ploegleidersauto terugbrengen, zorgen dat de kopgroep niet te ver wegrijdt, enzovoort. Zelf initiatief nemen is er niet meer bij. In mijn tijd kon dat nog wel.”

Zes keer stond de naam Lammertink op de deelnemerslijst. In 1983 en ’84 stapte hij af, in 1986 werd hij namens Panasonic 27ste, in ’87 reed Jos voor Transvemij en werd hij 35ste. In ’88 bij TVM finishte hij als 23ste en in 1989 kwam hij niet aan in Roubaix. Na 160 kilometer moest hij een wiel afstaan aan ploeggenoot Johan Capiot die desondanks niet meer aan kon sluiten bij de voorste groepen.
Kortom: zes keer was Jos van de partij, maar hij kwam op het Vélodrome André Pétrieux in Roubaix geen enkele keer in de buurt van de ereplaatsen. Desondanks kijkt hij met plezier terug op de Noord-Franse kasseienklassieker.
Foto’s uit het archief van Jos. Boven: 1983 Bernard Hinault probeert het wiel van Jos te houden.
1986, Jos voorop met links Hennie Kuiper, daarachter Eric Vanderaerden en links naast hem Sean Kelly van KAS.
1986. Jos met in zijn kielzog een renner van PDM.
1986, Jos rijdt in het wiel van Gilbert Duclos-Lasalle. Achter hem een renner van Renault en daarachter Guido Bontempi.
© Copyright - Gijs Eijsink Tekstenetcetera