KORENBLAUW COLBERTJE
“Hier?”
“Joa, dat zeg ik, doar!”
De lange, magere, kale zestiger met zijn kleurloze werkjas keek nauwelijks op van achter de balie van het grote kringloopbedrijf. Ik stond daar met twee vuilniszakken met elf colbertjasjes en nog eens drie andere jasjes. Mijn vrouw IK (ze wil niet met haar volledige naam op FB, vandaar de initialen) en ik hadden ze zorgvuldig geselecteerd. Ik wilde ze eigenlijk niet wegdoen. Vond ze nagenoeg allemaal nog draagbaar. Maar zij vond van niet en dan heb je te luisteren. Er moet ruimte komen in de hangkast.
Het fraaie, ietwat nonchalante, grijze jasje zat erbij. Ik had er mooie herinneringen aan. IK wist nog waar ik hem aan het eind van de vorige eeuw gekocht had en dat ik hem voor het eerst gedragen had op het jubileumfeest van een vriend. Ze heeft een visueel geheugen.
Nog een chic, grijs jasje. “Weg ermee. Is je veel te klein intussen.”
Het korenblauwe colbertje was mijn favoriet. Ik droeg het vaak en wilde het niet missen. “Je kocht het toen onze vorige buren trouwden.” Zoals ik al zei, IK heeft een visueel geheugen. Ze ziet het jasje en de herinnering dirigeert haar naar het feestzaaltje van toen. Die buren zijn overigens alweer jaren uit elkaar, maar het prachtige jasje had ik nog.
“Kijk naar de kraag, zie de binnenkant”, zei ze. “Dat kan echt niet meer.” Ik zuchtte diep en daar ging het korenblauwe jasje.
Het donkergroene zomerjack? Dat kan toch nog wel? “Nee joh. Die moet echt weg”, gebood IK. Want het is bijna versleten en ook nog eens uit de mode. Je kunt daar niet meer mee lopen….
Kortom, er was geen houden aan.
Met behoorlijk veel tegenzin reed ik naar de kringloop, werd naar een speciale balie gestuurd, waar een lange zestiger zonder op te kijken, zonder in de vuilniszakken te kijken, zei: “Zet ze doar ma neer”.